KERSTVERHAAL

Oom Jo

LKOL B.D. P. DEKKERS

Afbeelding: Wikimedia Commons

In menige familie in Nederland zal wel eens een familielid zoals onze oom Jo een bekende en gewaardeerde verschijning zijn geweest. Geen verjaardag, bruiloft of doopfeest zonder oom Jo. Niemand die nog precies wist aan welke neef of tante hij precies gerelateerd was, maar dat deed er niet toe. Hij bracht leven in de brouwerij, had een onbegrensd repertoire aan moppen en kon elk levenslied uit volle borst meezingen. Bij de onvermijdelijke polonaise ging hij als een echte gangmaker steevast voorop. Dat hij zich tegoed deed aan de op tafel in wijnglazen uitgestalde sigaren en andere rookwaar werd hem vergeven, evenals het feit dat hij zich nog rijkelijker tegoed deed aan de nootjes, de bitterballen en de slaatjes. En als de bodem van de fles Jonge Bokma, vierkant in de fles maar rond op de tong, in zicht kwam wilde hij nog wel eens zijn gitaar ter hand nemen en liedjes uit het indo-rock repertoire van de Blue Diamonds, of Anneke Grönloh met haar ode op Soerabaja, ten gehore brengen. Want oom Jo had als jongeman bij het leger in Nederlands-Indië gediend en daar een niet aflatende liefde voor dit paradijs in de tropen aan overgehouden.

De kinderen hingen aan zijn lippen als hij begon te vertellen. Want vertellen, dat kon oom Jo. En als de belangstelling wat afzwakte, dan toverde hij zomaar een muntje uit je neus. Bij de kleine kinderen een kwartje, bij de grotere een gulden, en die mocht je dan uiteraard houden om er later een waterig ijsje van te kopen. Waar oom Jo het nooit over had, dat was de oorlog. De oorlog in Nederlands-Indië, de politionele acties, zoals de strijd in Indië ook wel werd genoemd. Wij wisten wel dat oom Jo vroeger soldaat was geweest en dat leek ons kinderen natuurlijk reuze spannend. Maar als wij daarnaar vroegen was zijn antwoord dat het altijd alleen maar heel erg saai was geweest. Een beetje wachtlopen, de foerier helpen of corvee in de keuken. En veel poetsen, altijd maar poetsen, het geweer, de schoenen, de poeties, het hield nooit op. Toch heb ik daar altijd een raar gevoel bij gehouden, want in mijn eerste herinneringen aan mijn jeugd in Soerabaja kwam er wel eens een groepje soldaten uit mijn moeders dorpje in Limburg langs voor een hapje, een paar pilsjes en wat gezelligheid. Vanuit mijn kamertje kon ik dan wat flarden van gesprekken opvangen en dan ging het lang niet altijd over poetsen of wachtlopen, maar over het verloop van de strijd. En op een dag in 1949 was het allemaal voorbij, de Nederlandse soldaten gingen naar huis en Soekarno werd de baas in Indië. Het KNIL ging naar huis, maar voor ons veranderde er weinig en het leven ging zijn rustige gangetje verder.

Tien jaar later begon het pas weer te schuiven. Nieuw-Guinea, Irian Barat, was buiten de soevereiniteitsoverdracht gehouden en in de ogen van Soekarno had dat onderhand lang genoeg geduurd. De stemming in het land begon langzaam te veranderen en op een dag werd het bedrijf waar mijn vader werkte genationaliseerd en werden alle totoks ontslagen. Ons huis werd beklad met leuzen als ‘Ga terug naar kikkerland’ en op een dag vertrokken wij, met achterlating van alle huisraad en huisdieren, met de Johan van Oldenbarnevelt terug naar Nederland. Daar aangekomen gingen wij wonen in het geboortedorp van mijn moeder en oom Jo werd een regelmatige en welkome gast bij ons thuis. Afgezien van wat kortdurende relaties bleef hij de eeuwige vrijgezel, een toestand waarbij hij zich schijnbaar had neergelegd. Een paar jaar na de eeuwwisseling begon zijn gezondheid geleidelijk achteruit te gaan en later werd hij ook nog eens getroffen door de ziekte van Alzheimer. Opname in een verpleeghuis werd onvermijdelijk en nauwelijks twee jaar later kwam het einde. Op een zondagmiddag, ergens in december, werd ik als contactpersoon, gebeld met de trieste boodschap dat oom Jo was overleden.

Na het opruimen van zijn sobere kamertje in het verpleeghuis, werd ik de dag voor kerstmis gebeld dat er op zolder nog een houten kistje was gevonden met de naam van oom Jo. Daar aangekomen bekeek ik het kistje met de inhoud; een paar fotoalbums, brieven, ansichtkaarten en zijn bintangs. Bladerend door de oude fotoalbums ging er een onbekende wereld open. Vergeelde zwartwit foto’s, familieportretten maar met name de brieven en de ansichtkaarten waren fascinerend, want er kwam een heel andere persoon naar voren dan de man die wij gekend hadden. Veel meer soldatesk dan wij ooit hadden voor mogelijk hadden gehouden. Niks onderbroeken tellen als hulpje bij de foerier, maar gevaarlijke patrouilles. En na aankomst thuis was er maar weinig waardering door het vaderland en begon er een gevoel te knagen dat alle inspanningen, de opofferingen en al die gesneuvelden in Nederlands-Indië voor niets waren geweest. En dan, om tientallen jaren na dato ook nog eens als een halve oorlogsmisdadiger te worden weggezet, dat zat hem niet lekker. Dat gevoel bleef hem achtervolgen, en hij heeft er nooit, met niemand over willen praten. Maar het moet hem innerlijk verscheurd hebben, om naar de andere kant van de wereld te worden gestuurd om de orde te helpen herstellen, en om er in plaats van als bevrijder te worden verwelkomd een ontvangst als bezetter te krijgen.

Buiten gekomen was het zachtjes begonnen te sneeuwen, in de verte klonken kerkklokken als een gamelan orkest en met een licht gevoel van droefheid begaf ik mij naar huis. Kerstmis zou dit jaar een wat ander verhaal worden.