Dr. Martijn Kitzen is Universitair Hoofddocent Krijgswetenschappen aan de Nederlandse Defensie Academie en voormalig officier.

OPINIE - BINNENLAND

Informatiegestuurd Voorwaarts

MARTIJN KITZEN

Op 16 november kopte de voorpagina van NRC ‘Defensie vergaart heimelijk data over eigen bevolking’. Mocht u dit gemist hebben, het gaat hier om het verzamelen van gegevens door het Land Information Manoeuvre Centre (LIMC) met als doel alle voor de corona-crisis beschikbare en relevante informatie uit open en semi-gesloten bronnen te onderzoeken.

De berichtgeving roept het beeld op dat militairen vanuit geheimzinnige locaties in ‘de bossen’ – u en ik noemen dat kazernes – gewone burgers in de gaten houden en daarbij gebruikmaken van schimmige methodes. Hoewel het gros van de acties lijkt te hebben plaatsgevonden conform de geldende regelgeving, wordt er gesuggereerd dat er ook ongeoorloofde praktijken hebben plaatsgevonden. Mocht dat inderdaad het geval zijn, dan is het natuurlijk zaak dit aan te pakken en ervoor te zorgen dat voortaan iedereen zich aan de regels houdt. Wat dat betreft is de verontwaardiging van sommige experts en Kamerleden nog wel te begrijpen. Toch vind ik dit persoonlijk vooral symptoombestrijding. De onderliggende vragen worden namelijk nauwelijks gesteld. Waarom willen militairen deze gegevens eigenlijk verzamelen en waarom roept het feit dat dit gebeurt zo veel argwaan op?

Het vergaren van data is deel van het zogenaamde Informatiegestuurd Optreden (IGO). Door grote hoeveelheden informatie te analyseren krijgt de krijgsmacht een completer beeld van de omgeving. Dat maakt het mogelijk betere en snellere beslissingen te nemen en mensen en middelen effectiever in te zetten. Daarnaast is er het toegenomen belang van het informatiedomein zelf. In de huidige veiligheidsomgeving proberen allerlei partijen invloed uit te oefenen via digitale kanalen, maar ook via meer traditionele media. Vorige week promoveerde kol Han Bouwmeester op het proefschrift Krym Nash: An Analysis of Modern Russian Deception Warfare waarin hij onder andere ingaat op de manier waarop Rusland beeldvorming manipuleert om daar strategisch voordeel mee te behalen. Wil de krijgsmacht hierop anticiperen, dan zal ze diepgaande kennis moeten hebben van het informatiedomein. Dat kan niet wachten tot een daadwerkelijk conflict; beïnvloeding – al dan niet als onderdeel van hybride oorlogvoering – vindt tegenwoordig continu plaats.

Er zijn dus wel degelijk legitieme redenen voor de krijgsmacht om data te verzamelen. De gemiddelde Nederlander accepteert zonder aarzelen alle voorwaarden om bijvoorbeeld Whatsapp te kunnen gebruiken en geeft zo toegang tot een schat aan persoonlijke gegevens. Hoe kan het dan dat er zoveel argwaan ontstaat als militairen informatie vergaren die niet eens direct te herleiden is naar individuen? Nog voor de NRC-rapportage stond de redactie van Carré bij deze vraag stil. Terecht constateerde zij dat er iets fundamenteel fout zit als de samenleving die je wilt beschermen niet bereid is je de ruimte te geven om dat ook goed te doen. In ieder geval een deel van de bevolking en onze volksvertegenwoordigers lijkt een wantrouwen te koesteren als het gaat het verzamelen en analyseren van informatie door militairen. Ondanks boeken als Het is oorlog maar niemand die het ziet, is er in ons land nauwelijks besef van het belang van verdediging tegen beïnvloeding van buitenaf. Gecombineerd met angst voor het Big Brother-effect zorgt dit ervoor dat een draagvlak voor IGO ontbreekt. Dit geldt overigens niet alleen binnen de eigen grenzen; ook het verzamelen van data in conflictgebieden roept vragen op.

Willen we als krijgsmacht informatiegestuurd voorwaarts, dan zullen we eerst moeten werken aan het draagvlak hiervoor. Dat kan door onszelf strikt aan de regelgeving voor dataverzameling te houden en zo transparant mogelijk te zijn. Zo laten we zien dat we er niet op uit zijn burgers te bespioneren en maken we een goede controle mogelijk. Bovendien draagt heldere communicatie ook bij aan een toenemend bewustzijn over beïnvloeding en manipulatie. Ik realiseer me dat dit in eerste instantie vooral beperkingen zal opleveren. De huidige wetgeving is niet gemaakt voor het omgaan met complexe hybride dreigingen die een nauw gecoördineerde reactie vanuit de overheid vereisen. Zo is er bijvoorbeeld onduidelijkheid over de precieze rol en verdeling van bevoegdheden tussen krijgsmacht, inlichtingendiensten en andere overheidsinstanties. Het is hard nodig dat we hierover discussiëren en dat begint dus met openheid en het faciliteren van goede controle op militaire dataverzameling. De huidige beeldvorming maakt pijnlijk duidelijk dat we volop aan de bak moeten om onze eigen bevolking van de noodzaak van IGO te doordringen.