Pensioenen

door: Martin Weusthuis

Uitgeholde pensioenen

In de pers verscheen onlangs een bericht over de uitholling van pensioenen. Niet ten gevolge van kortingen, maar door het gebrek aan indexatie sinds 2008. De pensioenen zouden sindsdien met 20% zijn uitgehold. Deze constatering is te algemeen en vergt uitleg.

Bij het ABP worden de pensioenen in opbouw én die in uitbetaling geïndexeerd op basis van prijsindexatie. Getracht wordt de pensioenen gelijk op te laten lopen met de Consumenten Prijs Index (CPI), bijgehouden door het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Tot 2016 was de praktijk loonindexatie, dat wil zeggen dat getracht werd de pensioenen gelijk op te laten lopen met de gewogen loonontwikkeling van alle overheids- en onderwijssectoren aangesloten bij het ABP. Sinds de kredietcrisis in 2008 is indexering, op 0,28% indexatie in 2010 na, niet meer gelukt. Het gevolg is dat straks op 1 januari 2020 de ABP pensioenen 19,1% achterlopen op de gecombineerde loon- en prijsontwikkeling sinds 2008. In andere woorden: ondanks dat uw pensioen niet is gekort, bent u toch bijna 20% achteruitgegaan in koopkracht, een minder zichtbare maar wel goed voelbare vorm van korting.

Verleden

Die bijna 20% ligt echter voor iedereen weer anders en is sterk afhankelijk van de hoogte van het opgebouwde dan wel in uitbetaling zijnde pensioen. Dat heeft te maken met de grootte van het aandeel AOW-uitkering in de optelsom AOW-uitkering + ouderdomsof nabestaandenpensioen. De AOW is namelijk wel steeds geïndexeerd op basis van de prijsinflatie. Bovendien heeft het kabinet inkomensondersteunende maatregelen genomen om de koopkracht van gepensioneerden te ondersteunen. Iemand met AOW en een klein pensioen heeft dus qua koopkracht veel minder last van de nietindexatie van het pensioendeel dan iemand met een groter pensioen. Het CBS rekent voor dat een gepensioneerde met een pensioen tot € 10.000,- tussen 2008 en 2017 een koopkrachtstijging heeft meegemaakt van zo’n 4,5%. Een gepensioneerde met een pensioen van meer dan € 20.000,- ging er echter in die periode met 12% op achteruit.

Het CBS geeft geen gedetailleerde informatie over koopkrachtachteruitgang van pensioenen vanaf € 20.000,-. Feit is echter dat verhoudingsgewijs het wel geïndexeerde AOW-deel steeds verder daalt naarmate het niet geïndexeerde pensioendeel stijgt. Als u als overste de dienst verlaat, ontvangt u bij het aantal deelnemingsjaren vanaf KIM/KMA een ouderdomspensioen van zo’n € 40.000,-. Vanwege de verhouding met het AOW-deel zal daarom de koopkrachtkorting op dit moment hoger liggen dan die 12% en Pensioenen ook omdat bovenstaande CBS-cijfers reiken tot 1 januari 2017.



Toekomst

Naast het gebrek aan indexatie in het verleden is korting op de pensioenen in 2020 en latere jaren een meer acuut probleem.

Volgens de rekenregels van het Financieel Toetsing Kader (FTK) moet het ABP pensioenen korten als:

  • de actuele dekkingsgraad onder de kritische grens van 95% zakt op peildatum 31 december van een jaar of
  • de beleidsdekkingsgraad (gemiddelde actuele dekkingsgraad over laatste 12 maanden) op peildatum 31 december van een jaar, minimaal 5 jaar lang onder de grens van 104,2% staat.


ABP communiceert dat per 31 oktober 2019 de actuele dekkingsgraad lag op 93,2% en de beleidsdekkingsgraad op 96,3%. Als dit de standen zijn op 31 december 2019 zou ABP op basis van de actuele dekkingsgraad moeten korten. En met het ABP vele andere fondsen ook. In totaal zouden vele miljoenen mensen worden gekort. Oei oei, dan loopt na protesten van de zorg, de politie, het onderwijs, de boeren en de bouwers, het Malieveld weer vol en nu met een massa gepensioneerden. Niet vreemd dus dat minister Koolmees met een ad hoc maatregel kwam dat korten volgens beide maatregelen niet hoeft, als op 31 december 2019 de actuele dekkingsgraad maar boven de 90% staat. Staat de actuele dekkingsgraad onder de 90% dan is de ad hoc maatregel ook van kracht, maar dan volgt er wel een korting voor het verschil tussen de 90% en de lagere actuele dekkingsgraad en die is ook onvoorwaardelijk. Dat wil zeggen dat ook al stijgt de actuele dekkingsgraad na 1 januari 2020 weer tot grote hoogte, de korting moet en zal worden toegepast. Spreiding van die korting mag vervolgens wel weer, gedurende maximaal 10 jaar.


Koolmees doet hier een beroep op art. 142 van de Pensioenwet die stelt dat in een uitzonderlijke economische situatie waardoor een groot aantal pensioenfondsen wordt geraakt, vrijstelling kan worden verleend van de minimum vermogenseisen. Koolmees stelt dat de negatieve marktrentes voor lange looptijden, de rentes waarop de rekenrente stoelt waarmee een pensioenfonds zijn betalingsverplichtingen moet berekenen, die uitzonderlijke omstandigheid zijn. En als de ECB zelf stelt dat de lange rente 1,6% hoger zou hebben gelegen zonder de ingrijpende maatregelen van die bank, dan mag je wel van uitzonderlijke omstandigheden spreken. Het probleem is dat voornamelijk Nederland met zijn enorme pensioenreserves de zure druiven plukt van het Europese stimuleringsbeleid met kunstmatig lage rentes. Heb je als land een omslagstelsel en/of moet je lenen om de oudedagsvoorziening van je gepensioneerden te betalen, dan kijk je daar heel anders tegen aan.



Korting nog steeds mogelijk

Als ABP-deelnemer bent u dus ondanks de ad hoc maatregel nog niet uit de gevarenzone. Mocht president Trump met Kerstmis weer een verkeerd vallende tweet de wereld insturen of mochten om wat voor reden dan ook nu net op 31 december 2019 de rentestand en de aandelenkoersen in een dip zitten en de dekkingsgraad onder de 90% zakken, dan wordt u alsnog gekort!


Dan zijn we natuurlijk meteen bij het pleidooi van de GOV|MHB: verhoog die risicovrije rekenrente nu eens, op basis van een langlopende macro stabiele discontovoet! Koolmees ontwijkt die discussie door in het overgangsjaar naar een nieuw pensioenstelsel niet de discussie aan te gaan over de rekenrente, maar die te koppelen aan dat nieuwe stelsel dat volgens hem zou moeten ingaan in 2021. Hij hoopt dan ook in de zomer van 2020 het nieuwe stelsel te presenteren.


Stel nu eens dat invoer daarvan niet lukt in 2021. Wat gebeurt er dan? Dan blijft het stelsel zoals het is en moeten pensioenfondsen hun premies en hun betalingsverplichtingen gaan berekenen op basis van de verlaagde economische vooruitzichten die de cie Dijsselbloem verwacht voor de komende 5 jaren. Als gevolg daarvan daalt de rekenrente en dat betekent voor de actieven premiestijging en/of opbouwverlaging en voor de gepensioneerden pensioenkortingen. Het Centraal Plan Bureau (CPB) ziet het somber in. Dat verwacht blijvend lage rentestanden met als gevolg pensioenkortingen van gemiddeld zo’n 2,5% per jaar gedurende meerdere jaren. Voor de hogere pensioenen betekent dit een grotere aanslag op de koopkracht dan voor de lagere inkomens, omdat de wel-indexering van de AOW-uitkering minder doorwerkt naarmate het pensioen stijgt.


Stel nu eens dat die invoer in 2021 wel lukt. Dan vervalt het huidige FTK met zijn buffereis en komen er rekenregels die draaien rondom een dekkingsgraad van 100%. Is de dekkingsgraad hoger, dan kan er meteen worden geïndexeerd. Bij een lagere stand wordt er meteen gekort. En er moet ook nog flink geld bij voor de actieve deelnemers die door de verandering van het opbouwstelsel met een pensioenschade zitten van maximaal 10%. Waar moet dat geld vandaan komen als de huidige dekkingsgraden al onder de 100% liggen? Bovendien willen minister Koolmees en de toezichthouder DNB niet afstappen van de risicovrije rente voor de berekening van de premie en pensioenen, ook niet in het nieuwe stelsel. U begrijpt wat er dan te verwachten is. De gevolgen zijn minstens zo ernstig als in de situatie waarin het stelsel blijft zoals het is.


De GOV|MHB acht dit van de zotte. Korten is in het geheel niet nodig bij de huidige stand van de economie en de opgebouwde reserves van de pensioenfondsen. Over de indexatie kunnen we het hebben. Uiteindelijk blijft de discussie hangen op de rekenrente en de angst van sommige beleidsbepalers op de lange termijn te kijken, de termijn waarmee pensioenbestuurders hebben te maken. Deze bestuurders worden nu door de toezichthouder en het FTK gedwongen op de korte termijn te kijken en beslissingen te nemen. Ik ga er toch van uit dat er meer ruimte komt in de rekenrente-/rekenrendementsdiscussie nu de tegenstand steeds heviger wordt, de levensverwachting niet zo lijkt door te stijgen als eerder verwacht en de AOW-uitkeringen tot 2040 na nadere berekeningen toch beter betaalbaar zijn dan ze eerder leken.