PRIKKEN EN PRIKKELS

Geen enkel risico?

Het is druk op de Directie Operaties van de Defensiestaf. Nederland wordt onder druk gezet om mee te doen aan een militaire missie in weer een land dat op instorten staat en waar de geweldsspiraal door het dak schiet. Voorheen ook geen sinecure, maar het militaire en politieke plan- en besluitvormingsproces kreeg doorgaans toch in korte tijd een militair advies, artikel 100 brief en een operatieorder op tafel, waarna het echte werk kon beginnen.


Dat ligt anno 2019, na door incidenten gedreven bemoeizucht van geëmotioneerde politici en bonden inmiddels wel even anders. In de ‘gewone’ samenleving wordt geen enkel risico meer getolereerd, dus waarom wel in militaire operaties? De staf zit dan ook met zijn handen in het haar hoe ze het volgens de vigerende regels voor elkaar gaan krijgen om de veiligheid van het eigen personeel naar Nederlandse maatstaven te garanderen. Iedere eenheid kan zich immers niet verder verwijderen van de medische keten dan een kwartiertje tot een arts en een uurtje tot een operatietafel. Voordat we gaan neerstrijken op een basis moeten we er zeker van zijn dat de luchtkwaliteit in orde is, dat we ons afval gescheiden kunnen afvoeren, dat de internetvoorzieningen voor het personeel op orde zijn, dat men kan werken en slapen in gepantserde containers en wat al niet meer. Ook moet ‘adaptatie’ op een aantrekkelijke locatie tijdens de terugverplaatsing worden geregeld om ontsporing na terugkomst in Nederland te voorkomen. Niet vergeten mag worden om ook een detachement van de Koninklijke Marechaussee en het Openbaar Ministerie mee te sturen om achteraf toch even iedere vorm van handelen tegen een vijand door de justitiële molen te halen. Intussen sturen we diplomaten en BuZa-beleidsmedewerkers op pad met alleen een creditcard en een warme handdruk om voor ons de weg te bereiden, civiele specialisten die de luchtkwaliteit gaan meten en we laten we onze spullen aan- en afvoeren door ingehuurde transporteurs, want dat is voor onze jongens en meisjes toch echt veel te gevaarlijk werk. De afgelopen jaren zijn stringente regels voor de inzet opgesteld op last van onze politici en ziet een legertje van fijnbesnaarde juristen erop toe dat iedere regel zo stringent mogelijk wordt geïnterpreteerd, waardoor daadwerkelijke inzet slechts bij hoge uitzondering mogelijk wordt.


En dan moeten we onze bondgenoten er nog van overtuigen dat deze wijze van inzet echt van toegevoegde waarde is in de op handen zijnde complexe operatie. Uiteindelijk, na een half jaar voorbereiding en een jaar van politiek gesteggel, meldt de commandant van de Nederlandse eenheid zich in de missie: ‘Combined Joint Force Commander, General, Sir! We have everything under control, all risks imaginable have been reduced by 100%, so you will have no incidents or casualties to fear from us. Unfortunately we will be completely useless on the other side of the gate, but we will certainly add to the social life on this side’.


Iedere planner houdt inmiddels al, voordat de missie begint, rekening met het feit dat zowel gedurende als na afloop van de missie de politieke aandacht niet zal uitgaan naar de effectiviteit van de Nederlandse bijdrage, maar vrijwel uitsluitend gericht zal zijn op het vinden van vermeende onvolkomenheden in de planning dan wel uitvoering. De Kamer is meer geïnteresseerd in de vraag of er gedurende de inzet niet te veel CO2 wordt uitgestoten dan de vraag of de doelstellingen van de missie wel realiseerbaar zijn. De planners weten dat de krijgsmacht hier nog jaren later op kan worden afgerekend. Dat betekent dat iedere stap in de planning en uitvoering moet worden bijgehouden en achteraf nog eens uitgebreid moet worden geëvalueerd, niet voor de eigen organisatie om ervan te leren, maar om ons te kunnen indekken voor het geval een journalist de Kamer weer eens een vermeende misstand voorschotelt. Voorwaar, het enthousiasme van de planners bij de Directie Operaties om met een nieuwe missie aan de slag gaan staat onder druk, want het is niet goed of het deugt niet.


En zo zijn we van risiconemers nu risicomijders geworden. Tegen deze achtergrond is het goed om de bijzonder positie van de militair in herinnering te roepen; militairen zijn nadrukkelijk uitgezonderd van de brede definitiebepaling van het begrip ambtenaar in de Ambtenarenwet 1929. Voor hen geldt exclusief de Militaire Ambtenarenwet. Tussen de burgerlijke en militaire rechtspositie bestaat een aantal belangrijke verschillen, die zijn terug te voeren op de bijzondere taken van de krijgsmacht en de militair. Het bekleden van een militaire functie was immers bepaald niet vrijblijvend. Militairen ‘dienen’ het vaderland en die dienstbaarheid komt ook tot uitdrukking in verplichtingen die de Militaire Ambtenarenwet geeft op het punt van taakuitoefening overal ter wereld en het moeten aanvaarden van opgedragen taken, ook als ze niet tot zijn functie behoren en de risico’s die daarbij horen.


Daarom was en is de krijgsmacht een arbeidsorganisatie van bijzondere aard. Defensie staat voor onze vrijheid, het handhaven van de internationale rechtsorde en helpt als zich rampen voordoen. Daar waar defensieonderdelen in actie komen zijn vaak letterlijk levensbelangen aan de orde. Militairen staan voor hun taak en worden gekenmerkt door een grote mate van betrokkenheid en idealisme.


Daarvoor staat die rechtspositie en het genot van bepaalde emolumenten, zoals toeslagen, vergoedingen, faciliteiten en eerder stoppen met werken. Die uitgangssituatie staat meer en meer onder druk door risicomijding, bureaucratisering, juridisering en ‘verburgerlijking’ van het militaire beroep. Voor zowel inzet als vredesbedrijfsvoering is Defensie met handen en voeten gebonden aan regels die de noodzaak van het voorbereiden op - en het voeren van - oorlog lijken te ontkennen. Tal van raden, commissies, inspecties, speciale directies en zelfs ‘onze’ vakbonden hebben erop toegezien dat al die wetten en regels belangrijker zijn geworden dan de kunde om oorlog te voeren zelf. Bovendien gedragen militairen zich ook steeds meer als ‘burgers’; het bestaan van militaire vakbonden die tal van ‘burgerlijke’ arbeidsvoorwaarden (uitzendbescherming, flexwerken, ouderschapsverlof, werk- en rusttijden) afdwingen en bij het minste of geringste in de media ‘vermeende misstanden’ bij Defensie aan de kaak stellen (met weer meer regels e.d. tot gevolg) is daarvan een exponent.



Veel van die regels zijn ontstaan door zaken die een keer fout zijn gegaan. We hebben vervolgens (al dan niet door politiek of vakbonden daartoe gedwongen) zelf nog meer regels gemaakt en instituties opgericht om fouten te voorkomen. Wellicht een stuk veiliger? Ja, hopelijk wel, anders is het helemaal zonde van het geld en de moeite. Het begint erop te lijken dat de meeste risico’s voor de militair op voorhand worden uitgesloten. De gemiddelde burger in een Nederlandse buitengemeente of drukke stad moet waarschijnlijk langer wachten op medische behandeling dan een militair op uitzending. Menig diplomaat voert inmiddels anekdotes op bij de borrelpraat dat ze soms vreemd staan te kijken naar onze patrouilles met force protection, scherfvesten, etc., terwijl hij of zij casual gekleed in hemdsmouwen het werk op precies dezelfde locatie uitvoert, waarbij voor betrokkene een dokter meestal ver te zoeken is.

Goed om onze politici, onszelf en onze bevolking eens na te laten denken over de vraag of de samenleving nog bereid is een echte oorlog te voeren en of die samenleving ook onder vredesomstandigheden en tijdens inzet bereid is de militair daarvoor de juiste armslag, vertrouwen, aanzien en vrijheid te bieden.

Dat hangt samen met uitstraling en professionaliteit, maar vooral met het kunnen omgaan met - en aanvaarden van - risico’s!

Redactie