Over moeilijke onderwerpen

door: Peter van Maurik

Er is altijd hoop

Mijn laatste column is op zichzelf al een moeilijk onderwerp. Want hoe ga ik nu eindigen? Jarenlang heb ik in mijn column geprobeerd de vinger op zere plekken te leggen of u uit te dagen om met een andere bril naar de organisatie van Defensie te kijken. Dat zou de indruk hebben kunnen wekken dat er niet veel goed gaat. Nu gaan er zeker zaken niet goed, en zolang de centralistische en bureaucratische aanpak blijft bestaan zal het ministerie voor elke minister een probleem blijven. Het is echter aan hen om te snappen dat de problemen, naast het gebrek aan geld, vooral in het bestuursmodel zitten. Maar dit zijn niet de laatste woorden die ik aan u wil meegeven. Als u dat nu nog niet doorheeft dan kan ik toch niets meer voor u betekenen.

Mijn laatste schrijfsel eindigt positief want het gaat namelijk, ondanks alles, op veel plaatsen bij Defensie best goed. Om te beginnen kun je op dit moment overal op de werkvloer nieuwe impulsen zien en belangrijker nog, ze worden steeds meer omarmd door leidinggevenden. Daardoor vindt men oplossingen voor lang bestaande problemen of toepassingen voor innovaties. Dat was zeker niet altijd zo, maar de motor van vernieuwing is op gang gekomen en belooft veel goeds voor de toekomst.


De professionaliteit is, vooral door de vele uitzendingen, sterk toegenomen. Ook de diversiteit binnen Defensie neemt steeds meer toe en heeft een positieve invloed. Het alcoholgebruik en drugsgebruik daarentegen zijn behoorlijk afgenomen ten opzichte van de jaren tachtig en negentig. Natuurlijk kan het nog een stapje beter, en zijn er nog een aantal weerstandsnesten, maar kijk waar we vandaan komen. Dat geeft hoop.


De doelmatigheid is sterk gestegen, ik kan mij de enorme verspillingen nog wel herinneren. Ik geef hier toe dat de vele bezuinigen daarbij hebben geholpen. Hoewel niet op de manier zoals het Haagse circus zichzelf zo graag voorhoudt. Het is meer de permanente schaarste die een impuls heeft gegeven aan betere inzet van middelen. Simpel gezegd: men moest wel en men deed het ook. Of zoals ik wel vaker heb gezegd: niet dankzij, maar ondanks het beleid gaat het beter. Daar mogen we best trots op zijn.


Mooi is ook dat de Nederlander trots is geworden op zijn militairen. De veteraan staat in hoog aanzien en je hoeft je niet meer te schamen voor je uniform. Nu deed ik dat ook nooit, maar ik kan me het begin van mijn loopbaan nog herinneren. Een tijd waarin de politiek dacht dat elke beroepsmilitair een potentiële couppleger was en men liever (ontwikkelings-) geld gebruikte om dubieuze regimes te steunen. De militair heeft met zijn inzet, opoffering en zijn verhalen de harten van de Nederlander weten te winnen. Zij geven ons hun vertrouwen.


Maar het allermooiste is dat Defensie in zijn wezen nog niet geknakt is; waarden als kameraadschap, moed, initiatief en doorzettingsvermogen bestaan nog steeds. Dat lijkt vanzelfsprekend, maar ik weet uit eerste hand hoe ook die onder druk hebben gestaan. Er waren, achter de vele organisaties, krachten in het Haagse die dat maar vreemd vonden. Ik vertelde u al eerder dat er een beweging bestaat die militairen maar gewone werknemers vindt. Vervangbaar door willekeurig personeel, eenvoudig te keuren via protocollen en op de hoogste niveaus te vervangen door ‘gewone’ managers. Die dan opmerkelijk genoeg wel uit hun kringetje moesten komen. Zij hebben gefaald in dat streven en dat maakt mij blij. Als ik jonge mensen tegenkom die nu de krijgsmacht inlopen dan zie ik zo vaak dezelfde combinatie van gedrevenheid en passie als de mijne. Dan zie ik de wil om er iets van te maken, dan heeft voor hun de krijgsmacht nog steeds dat jongensachtige, en gelukkig ook meisjesachtige, wat het vak meer dan een beroep maakt. Het is een beroep waar ik met ontzettend veel trots op kan terugkijken en waar veel jongeren nog steeds met net zo veel trots naar vooruit kunnen kijken. Hou vol, zou ik zeggen.


Succes, het ga u goed.