Foto: Wikimedia Commons

OPINIE - BINNENLAND

Korte bespreking van de dissertatie van dr. M.M. Jansen

Educating for military realities

bgen b.d. dr. P.H. de Vries

Op 1 november 2019 promoveerde mw. Marenne Mei Jansen aan de Radboud Universiteit op een proefschrift over Militaire Mores van Breda tot Afghanistan, (sub-) titel ‘Educating for military realities’. Zij analyseerde de opleiding van een groep infanteriecadetten aan de Nederlandse Defensie Academie (NLDA). Daarnaast beschrijft haar onderzoek de ervaringen van een Nederlands peloton dat werd uitgezonden naar Afghanistan. In deze dissertatie doet zij verslag van haar onderzoek naar de effectiviteit van het vormingsproces aan de NLDA. Haar dissertatie bestaat uit een viertal delen voorafgegaan door een introductie en wordt afgesloten met conclusies.


Hierna volgt een korte weergave van haar bevindingen.

Introductie, waarin een breed beeld wordt geschetst van het onderzoeksgebied. Ze beschrijft dat het in militaire officiersopleidingen vaak gaat over ‘karaktervorming’. De omstandigheden op het gevechtsveld vereisen dat, vanwege de complexiteit van het optreden, de extreme omstandigheden en de daaraan verbonden risico’s. De meeste militaire academies claimen dit doel en stellen dat er daarbij sprake is van een continu proces. Toch zijn er (ook in NL) veelvuldig incidenten die de vraag rechtvaardigen in hoeverre militaire academies erin slagen karakters te vormen. De relevante vraag is dan ook in hoeverre academies leveren wat beoogd wordt. Het lijkt erop dat er een discrepantie bestaat tussen de claim en het resultaat. Op blz. 24 staat een eenvoudig schema over de discrepanties tussen (A) wat er wordt gezegd, (B) wat gezegd wordt dat er wordt gedaan en (C) wat er wordt gedaan.


Deel 1, waarin wordt gesteld dat leidinggeven in conflictgebieden vereist dat officieren fysiek, mentaal en moreel zijn voorbereid op deze taak. Pas dan zullen zij in staat zijn zelfstandig te handelen zonder dat dit schade teweeg brengt bij henzelf, hun ondergeschikten en de wijdere omgeving. Om adequaat optreden te bevorderen, wordt veelal gebruik gemaakt van gedragscodes. De vraag is in hoeverre dit succesvol kan zijn. Gedragscodes betreffen voorschriften terwijl innerlijke discipline is vereist. Gedragscodes zijn een onvoldoende basis voor vorming, daarvoor is meer nodig. Het gaat dan om een coherente en consistente ethische theorie waarop karaktervorming zou moeten zijn gebaseerd. Er lijkt - althans bij de NLDA - geen sprake van een dergelijke visie. Onderwijsprogramma’s ontberen een ethische fundering en bieden geen methode om morele doelen te bereiken. Bovendien wordt niet in acht genomen dat vorming draait om persoonlijke groei wat reflectie op het eigen handelen vereist. Er bestaat dus ook een discrepantie tussen enerzijds de noodzaak voor reflectie en introspectie om te komen tot persoonlijke groei en anderzijds een programma dat primair lijkt te zijn bedoeld om allerlei do’s and don’ts over te brengen. Het je eigen maken van regels leidt niet tot karaktervorming. Karaktervorming vergt de vorming van een rationele bekwaamheid om naar je eigen functioneren te kijken. Vorming en morele deliberatie vereist een brede intellectuele en praktische achtergrond.In werkelijkheid gaat het op de NLDA veeleer om traditionele socialisatie dan om vorming gebaseerd op een opleidingsfilosofie en daarbij behorende strategie.


Deel 2 gaat vooral om de militaire mores zoals deze bestaan op de NLDA en hoe cadetten deze ervaren. Cadetten ervaren in ieder geval niet dat er sprake is van een visie waarin zij rijp worden gemaakt voor wat ze te wachten staat. Het curriculum en de methode lijkt vooral te zijn gebaseerd op traditie (zo doen wij dat). Zij ervaren een onvoldoende uitdagende omgeving, zowel intellectueel als praktisch. Wel raken zij doordrongen van het belang ‘erbij te horen’. Dit belang lijkt voor een substantieel aantal uiteindelijk een doel in zichzelf. Zij worden onvoldoende aangesproken op de intrinsieke motieven waarom zij naar de NLDA zijn gegaan. Er is mede daardoor een ‘ondergrondse’ cultuur, waarbij het ‘erbij horen’ belangrijker is dan het realiseren van de intrinsieke motieven die hen ertoe hebben gebracht zich aan te melden voor de NLDA. Zo worden zij teleurgesteld in hun verwachtingen. Dit wordt versterkt door de retoriek over het belang van zelfstandig handelen, terwijl zij daarvoor nauwelijks ruimte krijgen.

Marcherende cadetten in Breda (foto: Ministerie van Defensie)

Deel 3 beziet in hoeverre de ‘social identity theory’ behulpzaam kan zijn bij het analyseren van leiderschap. Deze theorie gaat ervan uit dat elk lid van een groep weet wat de emotionele en morele belangen zijn die de leden van een groep delen. Vanuit dit perspectief heeft een leider een aantal ‘rollen’. Ten eerste is hij groepslid en niet zomaar eentje, maar een bijzondere. Ten tweede moet hij de groep vertegenwoordigen; het groepsbelang moet boven het individuele belang gaan. Ten derde moet de leider ‘leveren’; hij moet de groep vorm geven in de zin van wat belangrijk is en hoe we dat gaan doen. Ten vierde moet hij de groep niet alleen intern vorm geven, maar ook naar de buitenwereld zichtbaar maken. Vanuit dit perspectief wordt het functioneren van een willekeurige groep onder operationele omstandigheden geobserveerd. In de voorbereiding op de inzet wordt geen eenheid gesmeed. De groepsleden zijn vaak op individuele cursussen waardoor binding niet kan plaatsvinden. Daarnaast worden op het laatste moment nieuwe leden bij de groep geplaatst. Bij de inzet ervaart de groep dat zij niet wordt ingezet in de rol waarvoor zij zijn opgeleid. De leider laat dit allemaal gebeuren en wekt hiermee de indruk dat hij de groepsidentiteit niet belangrijk vindt. Ook in het dagelijks opereren lijkt hij niet ondubbelzinnig voor het belang van de groep op te komen. Hierdoor verliest hij het vertrouwen van de groep en holt hij zijn gezag uit. Uiteindelijk leidt dit ertoe dat de leider tijdens de missie wordt overgeplaatst. Dit is uitzonderlijk, en geeft aan dat ook de leiding van mening was dat ingrijpen noodzakelijk was. De voorzichtige conclusie is dat de leider - althans volgens de ‘social identity theory’ - onvoldoende op de hoogte was van wat van een aanvoerder mag worden verwacht. Zijn opleiding heeft hem hierop blijkbaar onvoldoende voorbereid.

Deel 4 gaat in op de complexiteit en onzekerheid waarin militair optreden plaatsvindt. Onzekerheid kan op verschillende manieren worden bestreden. Op de klassieke manier reduceren organisaties onzekerheid door middel van standaardisering van procedures en protocollen die vanuit de top worden opgelegd. Dit is ook bij de krijgsmacht het geval. Voor basisvaardigheden is dit alleszins te verdedigen. Maar in het operationele optreden komt het juist aan op creativiteit en doortastendheid. Voor dit laatste bestaat in de opleiding aan de NLDA onvoldoende aandacht. Dit is vreemd, want juist binnen de krijgsmacht moet men beseffen dat de werkelijkheid niet in een model is in te passen. De op de NLDA gepresenteerde theorie betreffende het operationele optreden als uitsluitend een kwestie van ‘drills’ sluit onvoldoende aan bij de ervaringen in de praktijk. Een bijzondere rol wordt vervuld door de Aanname en Advies Commissie die een doorslaggevende rol speelt bij de aanname van studenten, maar waarbij het volstrekt onduidelijk is op grond van welke criteria deze commissie tot een oordeel komt. In hoeverre zijn deze oudere (en soms reeds lang gepensioneerde) officieren in staat zich een beeld te vormen wat van een moderne officier wordt gevergd? De nadruk op het reduceren van onzekerheid d.m.v. regels en procedures leidt in de praktijk tot star gedrag. Het gaat erom dat de regels worden gevolgd, want dat is het juiste gedrag. In de operationele praktijk is echter zo'n reactie volgens het voorschrift niet altijd de meest geëigende reactie om tot de gewenste uitkomst te komen. Als gevolg van deze nadruk op procedures en protocollen wordt ook veelvuldig veel tijd een aandacht besteed aan operationeel irrelevante zaken. Hierdoor wordt een operationele ‘focus’ verstoord.

Conclusie, deze wijst op een aantal constateringen betreffende de effectiviteit van de NLDA bij het behalen van de door de NLDA geformuleerde doelen.

  • Een opleiding gebaseerd op het overbrengen van regels en procedures leidt niet (als vanzelf) tot karaktervorming.
  • Er is onvoldoende aanleiding en gelegenheid voor reflectie op het eigen optreden als (potentieel) leider, wat noodzakelijk is om veranderingen eigen te laten worden.
  • Wat niet wordt ingezien, is dat karaktervorming een traag proces is met een tot op zeker hoogte onvoorspelbare uitkomst. Het is veel meer dan het ‘ontleren’ van burgerlijk gedrag een het aanleren van militaire vaardigheden.
  • Het gaat erom dat de paradox van karaktervorming in een militaire context wordt erkend. Pas dan is het mogelijk te doorzien dat voor karaktervorming het aanleren van (noodzakelijke) militaire vaardigheden slechts een beperkte bijdrage levert. Het gaat er juist om leiders te vormen met een sterke intrinsieke motivering het goede te doen in een operationele context. Karaktervorming vergt uitdagingen i.p.v. protocollen.
  • Cadetten ervaren juist een gebrek aan uitdagingen mede waardoor een ‘ondergrondse’ cultuur ontstaat die primair lijkt te zijn gericht op ‘het erbij horen’. De daarbij behorende waarden en normen liggen veelal niet in het verlengde van wat de NLDA beoogt.
  • Per saldo lijkt er een duidelijke discrepantie te bestaan tussen enerzijds de doelen die de NLDA zegt na te streven en anderzijds het resultaat dat de opleiding teweegbrengt.
  • De oorzaak hiervan ligt voor een substantieel deel in het ontbreken van een opleidingsfilosofie betreffende de grondslagen van karaktervorming en een daarop afgestemde strategie hoe dat te verwezenlijken, uitmondend in een uitdagend programma met ruimte voor introspectie.
  • Het merkwaardige is verder dat de onderzoeker in haar vele gesprekken met militairen en cadetten vaak haar eerdere conclusies bevestigd zag. Niemand voelde zich evenwel geroepen wat aan de situatie te doen, want ’zo doen wij het nu eenmaal’.

Enige persoonlijke notities

De bevindingen in de dissertatie verbazen mij niet. In mijn dissertatie van 2013 kom ik tot vergelijkbare conclusies. Mijn onderzoek richtte zich vooral op de inhoud van eventuele karaktervorming, en karakter uit zich in gedrag (en niet in opvattingen). Het gaat dus om vast te stellen welk soort gedrag wordt vereist en hoe we dat in opleiding, training en vorming kunnen ‘inslijpen’. De karaktervorming moet aansluiten bij zowel de intrinsieke motieven waarom studenten kiezen voor de NLDA, als de kenmerken van het operationele optreden waarvoor de organisatie is bedoeld. Het gaat dan ten eerste om een analyse van de noodzakelijke kenmerken van dat optreden (minder kan niet, want dan wordt de operationele werkelijkheid geweld aangedaan). Ten tweede moet er een inventarisatie worden gemaakt van de intrinsieke motieven van sollicitanten. Daarnaast moet worden vastgesteld wat het bijbehorende gedrag moet zijn, welke militaire deugden relevant zijn. Een dergelijke analyse kan er als volgt uitzien:

Hoe het ook zij, mw. dr. M.M. Jansen toont eens temeer aan dat het hoog tijd wordt om de opleiding en vorming van militairen in het algemeen en officieren in bijzonder fundamenteel tegen het licht te houden en te herzien. Het is verheugend dat de commandanten van de KMA en het KIM in het jaarboek ‘NL in arms’ van 2019 eveneens een pleiten voor de introductie van een officiersopleiding gebaseerd op deugd en ethiek. Kortom, de tijd lijkt rijp voor een wezenlijke heroriëntatie van de militaire opleidingen, maar daarvoor moet er nog wel heel veel gebeuren!