CARREACTIE

De affaire-Pesing

Richtte een ovw-bataljon een bloedbad aan?

PROF. DR. PETER ROMIJN

In jaargang 20, nr. 5 van Carré gingen de militair historici Somers en Tjepkema in discussie met een artikel van ondergetekende. Dit artikel was in 2012, acht jaar geleden, verschenen onder de titel ‘Learning on “the Job”: Dutch War Volunteers entering the Indonesian war of Independence, 1945-1946’ (Journal of Genocide Research 2012, Vol 14 (3-4) pp. 317-336. Thema van dit stuk is de voorbereiding en eerste inzet van Nederlandse bataljons Oorlogsvrijwilligers (OVW’ers) in de Indonesische onafhankelijkheidsoorlog.

Spijtig genoeg bevat de bijdrage van Somers en Tjepkema (in feite twee aan elkaar geplakte beschouwingen) tal van feitelijke onjuistheden en aantijgingen aan mijn adres. Een goed debat is in ieders belang, maar dit stuk beschadigt bedoeld of onbedoeld mijn integriteit als wetenschapper. Ik wil hier graag inhoudelijk op reageren.

Mijn artikel betrof een heikel punt in de inzet van de Oorlogsvrijwilligers (OVW’ers) in Nederlands Indië/Indonesië: de summiere voorbereiding van de manschappen. De aanname van de legerleiding was dat de na de Japanse capitulatie weer geformeerde eenheden van het koloniale leger, het KNIL, hen na aankomst in Nederlands-Indië zouden inwijden in de toe te passen strijdmethoden. Dat deze samenloop een potentieel van ernstig normoverschrijdend gedrag met zich meebracht bleek onder meer uit de gang van zaken rond de aanval die het Zeeuwse Bataljon OVW’ers en een eenheid militaire politie (MP) van het KNIL in april 1946 uitvoerden op het door Indonesische troepen bezette dorp Pesing, ten westen van Batavia/Jakarta.

Vrijwel direct ontstond hierover rumoer in Nederland. Luitenant-Gouverneur-Generaal H.J. van Mook liet op verzoek van de verantwoordelijke minister J. Logemann een onderzoek instellen. Daarin bleven echter, is achteraf gebleken, belangrijke zaken buiten beschouwing; de verantwoordelijke autoriteiten waren bereid daar genoegen mee nemen. Dit was wellicht de eerste, maar zeker niet de laatste keer dat succesvol ‘schandaalmanagement’ werd toegepast om wangedrag en wreedheden van de eigen troepen toe te dekken.

Historisch onderzoek naar dit soort kwesties komt voort uit een legitieme vraagstelling hoe zulke misdragingen ook aan Nederlandse kant onderdeel konden worden van de oorlogvoering. Somers en Tjepkema menen echter een ander schandaal op het spoor te zijn. Ze doen het voorkomen alsof mijn artikel één grote beschuldiging is aan het adres van ‘de’ OVW’ers als plegers van oorlogsmisdrijven. Ze missen daarbij compleet de strekking van mijn artikel: het gaat over de werving en opleiding van de desbetreffende bataljons en hun eerste socialisatie in het gevecht. De kop boven hun artikel suggereert bovendien dat ik een bloedbad toe wilde schrijven aan het OVW-bataljon. Dat beweer ik nu juist niet: ze krijgen een slecht voorbeeld mee en bovendien de les dat dit kennelijk ongestraft kan.

Ook Somers en Tjepkema moeten erkennen: ‘Ongetwijfeld hebben zich in Pesing feiten voorgedaan die het daglicht moeilijk kunnen verdragen - uit het dossier blijken slechts incidenten’. Ze volgen echter klakkeloos de weergave van de overigens bijzonder summiere gevechtsrapporten. Die zogenoemde incidenten volgden naar hun oordeel uit de emoties in het vuur van het gevecht: ‘Oorlog is nu eenmaal mensenwerk’. Ongetwijfeld, maar we mogen ook de vraag naar de mate van beheersing van het geweld stellen. Beide auteurs nemen met deze frasen ook woordelijk de conclusies over van het onderzoeksrapport terzake. De commissie van onderzoek heeft indertijd de getuigenissen van de verantwoordelijke officieren als volledige waarheid geaccepteerd. Ze liet na door te vragen over enkele executies na afloop van het gevecht. Zo was een jonge gevangene door de KNIL-MP weggestuurd en daarna doodgeschoten omdat hij een pemoeda-strijder zou zijn. Somers en Tjepkema noemen dit ‘de smadelijke dood van een pemoeda’. Zonder verder commentaar nemen ze de weergave van de commandant van de U-Brigade, lkol J.W. Sluyter, over: ‘Er wordt niemand neergeschoten die zich niet verzet of niet wegloopt’. Einde probleem.

Somers en Tjepkema menen de zaak te kunnen beslechten door de rapportages en getuigenissen van de desbetreffende officieren probleemloos als enige relevante bron van informatie voor te stellen. Bij een kritische beschouwing van bronnen moeten echter niet alleen de uitingen van klokkenluiders maar ook de verantwoordelijke autoriteiten aan strenge kritiek worden onderworpen. Indien mogelijk moeten ook de perspectieven en gegevens van de andere kant, van de slachtoffers, of de tegenstanders, of getuigen, worden gezocht en meegewogen bij de waarheidsvinding. Zo’n bronnen-kritische instelling ontbreekt in het artikel.

De auteurs willen het om onduidelijke redenen doen voorkomen dat ik met het oog op effectbejag het Friese en het Zeeuwse bataljon op één hoop wilde gooien. Ze suggereren dat het hele artikel om Pesing draait - maar iedere lezer zal zien dat dit een voorbeeld is, niet meer en niet minder. Wat deze casus zo interessant maakt, is dat we eigenlijk nog steeds niet goed weten wat er in Pesing is gebeurd. De Britse bronnen zijn ambivalenter dan de heren weergeven, het Indonesisch perspectief doet bij hen helemaal niet terzake. Er is veel onduidelijk gebleven, zo blijft de kwestie van de klokkenluiders inderdaad vaag, maar ze is ook gelaagder dan door Somers en Tjepkema is weergeven. De reden voor deze onduidelijkheid is dat het onderzoek in 1946 werd bepaald door een één-dimensionale vraagstelling en door een commissie die wilde constateren dat er ‘geen wreedheden’ hadden plaats gevonden.

Bonter maken Somers en Tjepkema het nog door kaptein Westerling, de voormalig commandant van het Korps Speciale Troepen, vrij te pleiten van de verantwoordelijkheid voor de executie op eigen gezag van tenminste drieduizend slachtoffers in Zuid-Sulawesi: ‘Het werkelijke aantal is 388’, zo meldden ze. Westerling zelf heeft ten overstaan van Raadsheer-commissaris J.L. Paardekoper indertijd, in juli 1949, in het kader van een gerechtelijk vooronderzoek verklaard dat hij alleen al eigenhandig (!) 563 mensen heeft vermoord [1]. En zijn manschappen hebben het daarbij niet gelaten.

De merkwaardige verdachtmaking tenslotte dat ik erop uit zou zijn een moralistisch en zwart-wit beeld van het gebeurde te construeren raakt kant noch wal. Mijn bijdrage is geplaatst in een themanummer van het Journal of Genocide Research, dat elf bijdragen bevat over ‘Mass Violence and the end of the Dutch Colonial Empire in Indonesia.’ Maar nergens suggereer ik dat er genocide heeft plaatsgevonden. Wat ik in mijn artikel indertijd vooral wilde aantonen is hoe de verantwoordelijke civiele en militaire leiders indertijd potentiële schandalen leerden managen. De bevindingen van de onderzoekscommissie in 1946 waren volledig op getuigenissen en rapportages van de eigen commandanten gebaseerd. Het heeft de verontrusting van toen effectief weten te dempen, maar dat mag ons beeld nu niet meer bepalen. Reden genoeg om in het lopend onderzoek van NIMH, KITLV en NIOD grondig op de kwestie Pesing terug te komen. En er eerlijk en met open vizier over te discussiëren.

Eindnoot 1. Verklaring Westerling dd. 11 juli 1949, in: Nationaal Archief, inv. nr 2.09.19, archief Krijgsraden te Velde, inv. nr. 182.

Repliek kol b.d. drs. A. Tjepkema en drs. C. Somers

De affaire-Pesing, het verzonnen bloedbad

Wij danken prof. dr. Peter Romijn voor zijn weerwoord op onze analyse van zijn constructie van: ‘One of the earliest documented cases of war crimes by Dutch troops, a clear transgression of the laws of war, which was committed by a KNIL-unit in the first place, mainly consisting of indigenous soldiers’, zoals tweemaal gepubliceerd en geciteerd door onder meer dr. Rémy Limpach, voor wiens proefschrift Romijn co-promotor was.

Om maar meteen met Romijns vaststelling te beginnen: ‘Wat deze casus zo interessant maakt is dat we eigenlijk nog steeds niet goed weten wat er in Pesing is gebeurd.’ Hoe weet hij dan zeker dat er sprake was van een oorlogsmisdaad? De essentie van zijn constructie is dat het zogenaamd slecht voorbereide Zeeland-bataljon in zijn ‘oorlogsmisdaden’ werd ‘gesocialiseerd’ [term van Romijn ST] door een KNIL-eenheid. Feiten: dit bataljon, dat nét was aangekomen op Java, voerde op 15 april 1946 een zuiveringsoperatie uit rond het dorp Pesing (ten westen van Batavia). Een klein MP-detachement van het KNIL volgde, doorzocht huizen, ondervroeg krijgsgevangenen en liet deze afvoeren. Het bataljon was toen al uren terug in de kazerne. Romijn suggereert dat de slechte voorbereiding het bataljon kwetsbaar maakte voor verkeerde invloed van het KNIL op het gevechtsveld. Feiten: het Zeeland-bataljon werd opgericht in oktober 1944 en vanaf januari 1945 onder Britse leiding getraind in Fournes (Frankrijk). Het is maanden ingezet tegen de Duitsers tot in Hamburg. Daarna kreeg het een training in Engeland en een ruim drie maanden gerichte training van Britse instructeurs in Malakka. Feiten over de actie zelf, zoals vermeld door zes Nederlandse kranten in die dagen: Pesing lag binnen het patrouillegebied van het Zeeland-bataljon. Gesprekken over de demarcatielijn lukten niet omdat de Tentara Republik Indonesia (TRI) juist dichter naar de door de door Nederlandse troepen beheerste stadsrand van Batavia wilde. De Britse commandant in Batavia had de actie goedgekeurd, mits zo weinig mogelijk slachtoffers.

Het bronnenonderzoek van Romijn is selectief, onvolledig en tendentieus. De artikelen in de nationale- en internationale bronnen die de ware proporties van ‘Pesing’ weergeven, vermeldt hij niet. Dat geldt bijvoorbeeld voor het onderzoek van Robert Cribb (2009) en dat van Richard McMillan (2005). Het laatste meldt slechts dat een Britse fact-finding mission ’s middags na de gevechten constateert dat de krijgsgevangenen worden vastgehouden in cellen ‘waar het stinkt naar urine’. Geen enkel ander onderzoek spreekt van ‘Pesing’ conform de beweringen van Romijn. Opmerkelijk is dat A.W. Kawilarang (1993), de brigadecommandant van de Siliwangi-divisie waaronder de TRI-eenheid in Pesing viel, de affaire niet eens vermeldt. De Republikeinse krant Gelora Rakjat (23 april 1946) schrijft wel over de operatie, niets over misdragingen.

Vermoedelijk drie - gewapend gebleken - krijgsgevangenen zijn door het KNIL gedood onder onbekende omstandigheden. Eerdere slachtoffers vielen in het voorafgaande gevecht. Meer weten we niet. Romijn heeft voor de constructie van een oorlogsmisdaad echter meer nodig. Hij anonimiseert daarom een reservekapitein van het bataljon, die hij opvoert als klokkenluider over wandaden na afloop van de actie. In zijn reactie zegt hij: ‘Zo blijft de kwestie van de klokkenluiders [let op: nu meervoud ST] inderdaad vaag’, waarmee de bodem onder zijn constructie wegvalt. Plausibel is dat kapitein Roosenburg ter plaatse contact heeft gehad met Frans Goedhart, Kamerlid voor de PvdA, en deze met collega Nico Palar in Den Haag, de schrijfster Beb Vuyk en de journalist J.H.W. Veenstra. Deze laatste drie hebben de affaire-Pesing tot ‘bloedbad’ verheven. In zijn verklaring voor de commissie die de ‘affaire-Pesing’ onderzocht, zegt Roosenburg dat hun cijfers ‘wel erg fantastisch waren’. Relevant is dat Roosenburgs reputatie er niet onder heeft geleden: later fungeert hij (volgens de website van het NIOD) als adjudant van de Commissie-Generaal, niet bepaald een functie die je aan een klokkenluider toevertrouwt.

Inderdaad heeft bij ons nauwelijks gespeeld dat het dossier onvolledig zou kunnen zijn. Voor het tegendeel draagt Romijn slechts vermoedens aan. Als iets niet is gebeurd, ontbreken daar de bewijzen van, tenzij deze achteraf worden verzonnen. Zo verwijst Romijn op vier plaatsen naar bronnen die geen of vals bewijs aan zijn beweringen leveren. In één ervan vertaalt hij ‘witbrood’ als ‘alcohol’, een sluwe toespeling op drankgebruik in de militaire cultuur. Aanpassen van een citaat aan eigen wensdenken deugt niet (college 1 geschiedenis). Hoezo ontbreekt bij ons ‘een bronnen-kritische instelling’? Romijn gebruikt alleen bronnen die zijn constructie ondersteunen. In het artikel uit 2012 vermijdt hij de term ‘bloedbad’, maar in een ander van 2020 laat hij de PvdA-afgevaardigden Frans Goedhart en Nico Palar de term gebruiken bij ‘vragen over een bloedbad bij het dorp Pesing in Oost-Java’. Pesing ligt overigens niet in Oost-Java.

Dat Romijn zijn gegevens manipuleert blijkt eens te meer uit zijn beweringen over het aantal slachtoffers van Westerling: ‘The most blatant case was the 1946 – 47 case of Southern Sulawesi [bedoeld is Zuid-Celebes ST], where special forces under Captain Raymond P. Westerling killed at least 3.000 while ‘pacifying’ the region’. Westerling had in 1947 tegenover de commissie-Enthoven het getal 341 genoemd. Tegenover J.L. Paardekooper zei hij (uit het hoofd, in 1949): ’Ik heb in totaal 563 mannen geëxecuteerd’. Dat is heel iets anders dan Romijns ‘Ik heb eigenhandig 563 mensen vermoord’. Tekstinterpretatie leidt tot een principieel verschil tussen ‘mannen’ en ‘mensen’. ‘Mannen’ zijn terroristen, althans rampokkers. ‘Vermoorden’ is niet hetzelfde als ‘executeren’ en ‘eigenhandig’ is een eigenhandige toevoeging van Romijn. Bovendien spreekt Westerling in de ik-vorm, omdat hij zich als commandant verantwoordelijk opstelt en is Nederlands niet zijn eerste taal. Bauke Geersing (2019) zegt dat een betrouwbare Indonesische bron 256 slachtoffers noemt, maar voegt eraan toe dat dat aantal waarschijnlijk te laag is. Daarom houdt hij het liever bij 388, het aantal dat hij ontleent aan Willem IJzereef (1984), eerder een criticus van Westerling dan van het Meerjarenonderzoek. ‘En zijn manschappen hebben het hierbij niet gelaten’, zegt Romijn omineus. Feit is dat IJzereef stelt dat onder het parallelle commando van J.B. Vermeulen, de voormalige plaatsvervanger van Westerling, 1.055 mannen zijn geëxecuteerd. Onderluitenant Vermeulen was nu eenmaal minder effectief dan zijn voormalige chef en handhaafde de discipline minder strak. Bij lange na dus niet de 3.000 die Romijn uit zijn duim zuigt. Voortschrijdend inzicht kan het verschil niet maken, want IJzereef heeft al iedere snipper papier over Westerling verzameld en, zij het selectief, in zijn boek verwerkt. Wij houden het dus met IJzereef en Geersing op 388, mede op basis van de door hen geciteerde rapporten van territoriaal commandant kolonel H.J. de Vries en de rapportages van inheemse hoofden.

Romijn verwijt ons naïviteit betreffende de handelwijze van de autoriteiten. Feit is dat deze niet met een verslag van generaal Spoor genoegen namen. Wij dagen hem uit zijn verdachtmakingen tegen het in Batavia gelaste vervolgonderzoek om te zetten in concreet bewijs. De door hem gemunte term ‘schandaalmanagement’ is daarvoor onvoldoende. Romijns constructie is dus gebaseerd op suggesties en verdachtmakingen, maar zelfs voor ‘risico van normoverschrijdend gedrag’ door het Zeeland-bataljon ontbreekt elke grondslag.

Wij nemen aan dat Romijn ‘in het belang van het debat’ bereid is ook deze repliek op www.ind45-50.org te plaatsen.