OPINIE - BINNENLAND

Van de regel in de drup

De man aan de andere kant van de tafel kijkt mij met een doordringende blik aan. Hij heeft mij blijkbaar een vraag gesteld, maar die heb ik niet gehoord. Ik stamel wat en word onmiddellijk onderbroken door de dame links van hem. Ze kijkt me vriendelijk aan en verzoekt mij nog een keer te beginnen bij het begin. Ik haal diep adem en begin te vertellen.

Foto links: Wikipedia; foto boven: Pixabay

‘Het was een donderdagavond even over half acht ’s avonds. De kinderen waren niet thuis en mijn vrouw was naar hockey. Ik had net een bak koffie gezet en toen kwam het idee. Ik heb er verder niet over nagedacht en ben gewoon begonnen’. ‘Wat bedoelt u, gewoon begonnen?’, vraagt de man in het midden. ‘Had u dat plan al eerder, of heeft u überhaupt eerder die neiging gehad?’ Ik denk even na. De woorden komen aarzelend mijn mond uit. ‘Ehh, ja, dat eh gebeurt wel vaker’. De vrouw zet grote ogen op. ‘Wat bedoelt u met vaker. Is dat één keer per week, meerdere keren?’ Ik heb het antwoord niet, het gebeurt namelijk op de gekste momenten. Soms ’s nachts, soms op de wc, soms vier keer per dag en soms weken niet. Ik weet het gewoon niet. Ik snap goed dat dit antwoord niet in mijn voordeel zal werken, dus ik besluit een leugentje om bestwil te gebruiken. ‘Nou, niet zo heel vaak, hooguit drie à vier keer per maand’.

De man op rechts kijkt mij triomfantelijk aan. ‘Há, nu hebben we je, mannetje!’ roept hij terwijl hij met een stapel papier zwaait. ‘Drie à vier keer per maand? Dat lijkt mij niet! Ik heb er hier minstens zeven en dat is alleen nog maar van de afgelopen drie weken’. Met een klap gooit hij de stapel op het groene tafelkleed. Ik probeer nog uit te leggen dat de afgelopen maand niet representatief was en dat ik de komende weken veel minder tijd zal hebben vanwege een conferentie en een werkbezoek, maar de man op rechts kijkt mij meewarig aan. Ik probeer mijn gedachten te ordenen om nog een laatste poging te doen om uit te leggen wat ik bedoel, maar de woorden blijven hangen in mijn keel. Ik hap naar adem, veeg het zweet van mijn voorhoofd en probeer op te staan.

‘Zitten!’ briest de man in het midden. ‘We zijn nog niet klaar. Blijkbaar ontgaat u de ernst van de zaak’. Hij kijkt naar links en naar rechts. ‘Volgens mij zijn we er wel uit toch?’ Aan beide kanten zie ik instemmend geknik. Ik begrijp er nog steeds niets van. Ik kijk naar de stapel papier voor me en ik herken de titel van het bovenste document. Niet verwonderlijk, ik heb het namelijk zelf geschreven. Nu begint er iets te dagen.

De man in het midden begint voor te lezen uit een officieel uitziend document dat voor hem op tafel ligt. ‘Verdachte heeft bekend tegen de uitdrukkelijke instructies van de Secretaris-Generaal activiteiten te hebben ontplooid die in strijd zijn met de meest recente versie van SG Aanwijzing A/978 en zodoende willens en wetens de zichtbaarheid van genoemde krijgsmacht te hebben vergroot, door gebruik te maken van zijn ervaring en de door de minister bekostigde opgedane kennis en vaardigheden. Verder heeft hij zijn professionaliteit meerdere malen aangewend om de buitenwereld van informatie te voorzien over onze organisatie, middels geschrift en gesproken woord. Hierbij laat verdachte duidelijk blijken, ondanks de dertig jaar ervaringsopbouw, niet te begrijpen welke dreiging er uitgaat van journalisten, vakbladen, webinars, online discussiefora en sociale media. Het is dan ook vooral dit roekeloze gedrag en de daaraan gekoppelde naïviteit in gedrag die ons geen andere keuze laat dan…’.

Ik voel een hand op mijn schouder en schrik op. Ik knipper met mijn ogen en kijk recht in het gezicht van mijn vrouw, die net van hockey terug is. ‘Hé, was je in slaap gevallen?’ lacht ze. ‘Het leek wel of je aan het dromen was’. Ik lach schaapachtig en schuif achteloos de zes A-4’tjes die ik aan het lezen was onder het vloeiblad. ‘Wil je koffie?' Ik knik. ‘Ik kom zo beneden, nog even iets afmaken’.

Mijn vrouw loopt naar beneden en ik blader nog even door de artikelen die ik in de afgelopen weken heb geschreven en pak dan de SG Aanwijzing A/978 van onder het vloeiblad. Ik vind en heb altijd gevonden dat schrijven over je vak een onlosmakelijk onderdeel moet zijn van de professionele vorming. Schrijven scherpt de geest, noopt tot reflecteren, dwingt om je kwetsbaar op te stellen en kritisch te blijven kijken naar je eigen professie. Dat daarvoor, vanwege de bijzondere aard van onze organisatie, regels bestaan is evident en niemand zal verbaasd zijn over regels en richtlijnen in een SG-Aanwijzing.

Waar komt dan mijn ongemakkelijke gevoel vandaan als ik hem lees? Dat zit hem in twee dingen. Allereerst heeft dat te maken met vertrouwen. De krijgsmacht doet zijn werk steeds meer en meer onder het oog van de wereld en iedereen kijkt mee. Mede daardoor worden er aan defensiepersoneel hoge eisen gesteld op het gebied van integriteit en professionaliteit. We worden uitstekend opgeleid en als puntje bij paaltje komt, zijn we verantwoordelijk voor de levens van velen, in omstandigheden waarin anderen al lang zouden zijn afgehaakt. De maatschappij stelt in onze krijgsmacht het vertrouwen dat, wanneer het nodig is, wij er zullen staan, zowel in binnen- als buitenland. Dat vertrouwen lees ik niet terug in de SG Aanwijzing A/978, die ten opzichte van de vorige versie nog restrictiever is geworden. Blijkbaar kunnen wij niet worden vertrouwd met de gevoeligheden van het communiceren met de buitenwereld.

Daarnaast mis ik de notie dat schrijven over je vak een voorrecht is. Ik mis het besef dat we als organisatie meer rendement uit ons personeel kunnen halen door ze te stimuleren om vooral te leren schrijven en te publiceren. Dat moet niet vanuit een positie van betutteling, de nadruk leggen op zaken die niet mogen en het schermen met juridische consequenties, maar vanuit het idee dat het stimuleren en bevorderen van een ecosysteem van schrijvers een krachtige manier is om bij te dragen aan de ontwikkeling van ons vakgebied en het imago van de krijgsmacht. Het lijkt mij dat de SG met het personeel van Defensie de sterkste troef in handen heeft. Een goed getrainde militair met passie voor zijn vak is de beste ambassadeur die een organisatie kan hebben, maar je moet het wel willen zien.

De geur van koffie trekt door mijn werkkamer. Ik doe het licht uit en loop de trap af. Halverwege de trap stop ik en pak ik mijn telefoon om iets te noteren. Er schiet me net weer een onderwerp te binnen dat het verdient om verder onderzocht te worden.

Naam bij de redactie bekend