OPINIE - BINNENLAND

De affaire Pesing

Richtte een ovw-bataljon een bloedbad aan?

Drs. Cees Somers en kol b.d. drs. Anne Tjepkema

Nederlandse militairen tijdens een oefening op Java (Foto: beeldbank NIMH; 1946 - 1947)

Inleiding

Twee dagen na de capitulatie van Japan riepen de nationalisten de Republik Indonesia uit. Het duurde tot eind september 1945 voordat Britse troepen in Tandjong Priok landden en orde op zaken probeerden te stellen. De Nederlandse regering zat op achterstand in het nemen van haar verantwoordelijkheid voor de bestrijding van het losgebarsten geweld in Nederlands-Indië.

Vanaf de bevrijding van de zuidelijke provincies in Nederland werden, vaak vanuit het verzet, eenheden van de Binnenlandse Strijdkrachten (BS) gevormd die als lichte infanteriebataljons werden getraind. Daarnaast werden vanuit aangemelde oorlogsvrijwilligers (ovw’ers) eveneens enkele bataljons opgericht, vaak met regionale samenstelling. Toen het in de zomer van 1945 onmogelijk bleek het dienstplichtstelsel op korte termijn te reactiveren, lag het voor de hand deze bataljons te bestemmen voor uitzending naar Nederlands-Indië. Maar liefst 22 bataljons, plus de kern van een mariniersbrigade, kwamen aldus in de zomer van 1945 beschikbaar, gevolgd door vijf extra bataljons in 1946 [1]. Het Regiment Limburg, het Bataljon Zeeland en het 1e Bataljon Jagers ontvingen als eerste hun aanvullende uitrusting in Engeland en vertrokken vanaf september naar de Oost, datzelfde jaar nog gevolgd door 19 andere bataljons [2]. Voordat zij in Indië werden toegelaten ontvingen de ovw-bataljons een aanvullende training op Malakka. Pas in maart 1946 lieten de Britten de eerste Nederlandse eenheden op Java toe, waar zij samen met heropgerichte KNIL-bataljons een vijftal brigades zouden vormen. In totaal zouden 25.000 ovw’ers naar Indië worden uitgezonden, van wie 5.000 à 6.000 bij de mariniersbrigade. In een later stadium volgden veel grotere aantallen dienstplichtigen die vanaf eind 1946 paraat werden gesteld.

In de ogen van prof. dr. Peter Romijn, werkzaam bij het NIOD (Instituut voor Oorlogs- Holocaust- en Genocidestudies) en hoogleraar geschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam (UvA), gedroegen de ovw’ers zich in de strijd tegen het Indonesische verzet als oorlogsmisdadigers. Romijn uitte deze aantijging in een artikel in de Journal of Genocide Research in 2012 [3]. Volgens de hoogleraar was het gewapend treffen in het West-Javaanse dorpje Pesing in april 1946 exemplarisch voor het optreden van de oorlogsvrijwilligers in Nederlands-Indië. Zij zouden toen vuile handen hebben gemaakt met moordpartijen en martelingen. Maar wat gebeurde er werkelijk in Pesing? En hoe kwam Romijn tot zijn zware beschuldigingen? Reden genoeg de affaire-Pesing te beschouwen tegen de achtergrond van het zwart-wit-sjabloon, waarin het debat over de gewelddadige dekolonisatie van Nederlands-Indië zich nu voltrekt.

De affaire-Pesing zoals weergegeven in het dossier

(Voor het dossier, zie [4]). De actie-Pesing draaide om het vaststellen van een nieuwe, meer westwaarts van Batavia gelegen demarcatielijn die de patrouillegang moest vergemakkelijken. De U-brigade had last van voortdurende hit-and-run acties vanuit Pesing, een dorp aan de noord-zuid stromende kali Angke tussen Batavia en Tangerang. De spoorlijn naar Tangerang kruist daar de rivier. Commandant 2-14 R.I. (het tweede bataljon van het veertiende Regiment Infanterie, het Zeeland-bataljon) had als opdracht om het dorp op 15 april 1946 te zuiveren. De actie startte om 06.00 en was om 07.30 afgelopen. De tegenstand bestond uit ca. driehonderd man, hoofdzakelijk Tentara Republik Indonesia (TRI), onder meer bewapend met mitrailleurs en mortieren, ingegraven in schuttersputten en een loopgravenstelsel [5]. Dankzij goed gelegd mortiervuur van het ovw-bataljon en gebruik makend van verrassing was de actie meteen een succes. Van de tegenstanders kwamen ca. veertig man om, terwijl er 31 krijgsgevangenen werden afgevoerd, onder wie drie gewonden die via de hoofdverbandplaats te Grogol per ambulance naar het Militair Hospitaal van Batavia werden vervoerd. Het bataljon, versterkt met een peloton van KNIL-Inf II en 45 man Militaire Politie (MP), verloor drie man, onder wie een hospik die juist bezig was een TRI-gewonde te behandelen [6].

Vrij snel na de actie ontstond er ophef. Het PvdA-Kamerlid Nico Palar, die de republikeinse zaak was toegedaan, beweerde op 6 mei dat zeventig Indonesische gevangenen op last van de MP op beestachtige wijze waren vermoord, de lijken in de rivier gegooid. Drie man werden later zwaargewond aangetroffen. In de dessa waren vele woningen verbrand. In de Baanbreker had de schrijfster Beb Vuyk kort daarvoor een emotioneel, zo niet hysterisch, artikel over de ‘moorden van Pesing’ geschreven: ‘De gevangenen die zich aan de Nederlandse troepen hadden overgegeven, zijn door de militaire politie van het Ned.-Indische leger op de gruwelijkste manier afgeslacht’. Vuyk dichtte de MP eenzelfde soort status toe als de Gestapo en de Kempetai. Militaire commandanten zouden verplicht zijn aan de bevelen van de MP gehoor te geven. De MP zou voorts vele wraaklustige Chinezen rekruteren [7].

Minister van Overzeese Gebiedsdelen Logemann verklaarde de volgende dag dat hij van niets wist en gelastte de Indische regering een onafhankelijk onderzoek in te stellen. Reeds op 27 mei al reageerde de Legercommandant (LC), lgen S.H. Spoor met een nota, waarin hij uiteenzette waarom de beweringen van Palar afkomstig waren uit de Indonesische propaganda. Bij zijn nota voegde hij een Brits rapport en een gevechtsrapport. Hij was zelf vlak na de actie aanwezig geweest en had niets onregelmatigs geconstateerd. De 28 gevangenen waren er toen nog en later op het bataljonshoofdkwartier te Grogol in verzekerde bewaring gesteld; daar had hij toen een man buiten gezien, terwijl achttien man in een kamer lagen te slapen. De drie gewonden waren in het hospitaal door het Indonesische en het Internationale Rode Kruis bezocht. De versterking van de MP stond in het KNIL onder bevel van de troepencommandant. Spoor gaf toe dat de MP soms te ruw optrad, maar niet straffeloos. De taak van de MP was de troepen op het slagveld te volgen, de huizen te doorzoeken en de gevangenen te ondervragen en af te voeren. Tegen de werving van Chinezen viel niets in te brengen, zij waren immers Nederlandse onderdanen. Verder was geen enkele woning verbrand [8].

Het Britse statement onderschreef de operationele autonomie van de regionale commandanten om ter wille van de patrouillegang de demarcatielijnen aan te passen en besloot met: ‘It is pointed out that had the TRI agreed to the terms laid down by the Commander of the Battalion, this incident would never have occurred. Up to date the TRI has ignored the allied proposals and have made no further effort to contact the battalion commander’ [9]. Het gevechtsrapport gaf een chronologische opsomming van de het verloop van de actie. Sluipschutters hadden na afloop van de actie nog urenlang vanuit bomen voor veel hinder rond de kali en de sawahs gezorgd. Na een detaillering van de verliezen volgde een overzicht van de buitgemaakte wapens: een zware mitrailleur en vijf lichte, een mortier en dertig geweren plus een grote hoeveelheid munitie en slagwapens.

Het hoofd van de Politieke Voorlichting, W.A. van Goudoever, citeerde in een ongedateerd stuk de bevindingen van twee Britse officieren bij hun bezoek aan het bataljonshoofdkwartier waar dertig gevangenen [10] waren opgesloten in twee kleine cellen: ‘Their condition was appalling, they had urinated on the floor… One Indonesian had his head covered in bandages, his face lacerated in several places, ought to have been placed in more sanitary conditions’. De Britten hadden slechts drie gewonden in het hospitaal aangetroffen; dit geringe aantal wekte verbazing en argwaan. Deze twijfels waren volgens de steller gevoed door de TRI. De Britten kwalificeerden de Nederlandse troepen als 'quite good fighters', jonge troepen die alles over de kling joegen. De lijken van gesneuvelden zouden in de snelstromende rivier zijn geworpen.

Op 31 mei liet luitenant-gouverneur-generaal (LGG) H.J. van Mook weten dat de weerlegging van Spoor niet helemaal de bedoeling van de minister was, omdat het onvoldoende gezag had. Hij droeg de LC en de Directeur van Justitie (DvJ) op een voorstel voor een commissie in te dienen. De DvJ, mr. A.H.C. Gieben, stelde een interdepartementale commissie voor met een rechterlijke hoofdambtenaar van het Departement van Binnenlands Bestuur (BB), een opperofficier van het KNIL en een hoofdambtenaar van BB. De opdracht moest luiden feitelijk te onderzoeken of ‘bij vorenbedoelde militaire bezetting wreedheden zijn bedreven en zo ja, welke feiten kunnen worden vastgesteld t.a.v. de vraag wie daarvoor aansprakelijk is te stellen.’ Als voorzitter werd mr. J.H. Peter, president van de temporaire krijgsraad te Batavia, genoemd. Het voorstel werd aangenomen.

Op 12 juli werd kap (KL) Dirk Paris Roosenburg (33) van 2-14 R.I. gehoord. Hij was commandant van de noordelijke aanvalsgroep geweest en was pas om 10.00 in Pesing aangekomen, verlaat door oponthoud bij de kali. Het gevecht was toen afgelopen en men was bezig met de zuivering. ‘Mijn groep maakte noord van Pesing acht gevangenen, twee hiervan droegen geen uniform. Ik weet niet hoeveel gevangenen in totaal zijn gemaakt. Hun overdracht vond plaats aan de MP onder mijn bevel. Eén van de gevangenen was gewond, twee zijn in Pesing achtergebleven, drie zag ik terug in Grogol op de hoofdverbandplaats’. Op de vraag hoe zij werden behandeld: ‘Moeilijk punt, er heerschte onder de MP geen discipline, wel veel verbittering. Ik heb een gevangene die aan zijn arm gewond was, met een hospitaalsoldaat meegestuurd. ’s Avonds in de cel droeg hij nog steeds hetzelfde noodverband. Ik heb er toen een dokter bijgehaald, waarop hij naar het hospitaal is overgebracht’. Op de vraag of er positieve gegevens zijn over de ongeschiktheid van de MP: ‘De MP was in het algemeen erg bang. In Kapoek haalde ik een mat opzij, waarachter TRI-soldaten verscholen zaten. De aangelopen MP moest ik tegenhouden, anders hadden ze erop los geslagen. De gevangenen die ik in Grogol aantrof, 26 in getal, bont en blauw geslagen. Daar waren jongens bij die volkomen gaaf waren toen ik ze afleverde.’

Op de vraag of er zeventig gevangenen op beestachtige wijze waren afgeslacht: ‘Ik las het in de krant, die getallen zijn erg fantastisch’. Hij had Vuyk eens ontmoet. Of er ernstige mishandelingen zijn gepleegd op de gevangenen: ‘Ja, want ik vond de gaaf door mij afgeleverde gevangenen later bont en blauw geslagen terug, met bebloede koppen en verbanden om het hoofd. Na de eerste dag zijn ze goed behandeld. Ik heb positief gezien dat er geen huizen zijn afgebrand. Wel zijn een paar huisjes voor het verruimen van de schootsvelden opgeruimd. Het intrigeert mij zeer hoe de heer Palar aan zijn gegevens is gekomen, het zijn natuurlijk leugens. Wel geloof ik dat er een paar gevangen genomen gewonden doodgeschoten zijn. Ik veronderstel dit omdat er maar drie gewonden waren op vijftig à zestig doden. Ik weet zeker dat de soldaten van ons bataljon geen gewonden afmaken’ [11].

Relevant is het verhoor van aalmoezenier L.W.G (Louis) van de Vrande (36). Hij was tussen 07.20 en 10.00 in Pesing. De gevechten waren toen al afgelopen. Hij had in Pesing gezien dat een gevangene werd losgelaten en daarna doodgeschoten, waarover hij verontwaardigd was. ‘De man was opzettelijk gedood door de Ambonnezen [12], omdat hij pemoeda was. Ze riepen nog tegen hem in het Hollandsch ‘Ga maar weg! Bij de spoorlijn rechtsaf’. Te Grogol had hij twaalf gevangenen gezien, van wie drie vastgebonden waren aan een paal. ‘Een van deze drie kreeg klappen op het hoofd met een geweerkolf. Hij was later door een dokter verbonden’. ‘De volgende dag was de bevolking van Pesing teruggekeerd, ze kregen eten en drinken, de mensen hadden het direct goed. Een luitenant speelde burgemeester’. Over de gruwelverhalen van Palar: ‘Ik geloof absoluut niet dat het gebeurd is. Over gruwelen met de gevangenen is mij niets bekend. In Pesing heb ik geen enkele brand gezien. Van beestachtige wreedheden heb ik niets vernomen. Het is allemaal leugenachtig’.

Tekst op de foto, rechts boven: Ge ziet hier "Mandri de Zeeuw ..."We vonden dat venthe uitgehongerd langs de weg van Grogol ... vader en moeder waren vermoord en onze krijgsmannen ontfermeden zich over dit kereltje, dat wij later in een weeshuis te Batavia onderbrachten.

Gehoord werd ook Johan Willem Sluyter (49), lkol (KNIL), commandant van de U-brigade. Zijn commentaar op de verklaringen van aalmoezenier Van de Vrande en kap Roosenburg: ‘Er wordt niemand neergeschoten die zich niet verzet of niet wegloopt. Aan de discipline bij de MP ontbrak inderdaad het noodige. Kap Roosenburg had contact met de heer Goedhart [13]. Bij zooveel toezicht zijn misdaden onmogelijk. Het verhaal van Roosenburg is vreemd. Waarom zou de dokter dien man hebben laten loopen en wel drie anderen naar het hospitaal hebben laten vervoeren?’

Op de foto lkol J.W. Sluyter, cdt U-brigade, hier als kol (KNIL)

Op 2 augustus vond de volgende zitting plaats. Gehoord werd kap (KNIL) Frits Benjamin van Straalen (41). Hij was bij de actie commandant van de afsluitingsgroep. ‘Na afloop van de actie, op weg naar het verzamelpunt maakten we eenige gevangenen. Tijdens het zuiveren van het terrein werd een van onze soldaten neergeschoten door een sluipschutter. Als gevolg daarvan waren mijn soldaten verbitterd en schoten twee of drie in uniform gekleede Indonesiërs, die bij hun aanhouding en fouillering in het bezit waren van wapens, onmiddellijk neer’.

Daarnaast werd Hendrik Marie Borst, officier van gezondheid eerste klasse, gehoord. Hij was tussen 08.00 en 09.00 in Pesing aangekomen en had enkele gewonden behandeld. Hij had een gewonde later in Grogol in de cel bij de overige gevangenen aangetroffen en hem eruit gehaald, zijn noodverband vervangen en hem doorgestuurd naar het hospitaal. ‘Ik herinner mij dat kap Roosenboom ca. 14.30 te Grogol was, of hij er eerder kwam dan ik, weet ik niet. Ik heb met een der officieren erover gesproken dat de gewonde niet in de gevangenis maar bij de medische afdeling thuishoorde. De late behandeling was te wijten aan de late aankomst te Grogol, hij was er kort voor mij. Ik heb dertig à veertig gevangenen gezien; geen hunner was gewond, ik heb tenminste geen enkel uiterlijk kenteeken van verwonding gezien. Ik heb ook geen teekenen gezien, dat de gevangenen bont en blauw waren geslagen. Ik toon u eenige foto’s op 15 april gemaakt [14]. De bewering dat de gewonde die ik zojuist noemde, ’s avonds nog niet was verbonden, is bepaald onjuist’.

Voor de zitting van 3 augustus was Beb Vuyk opgeroepen. Zij was echter op 30 juli naar Nederland vertrokken. De commissie had wel vastgesteld dat Palar de positie van de MP [15] onjuist had voorgesteld, dat er geen woningen in brand waren gestoken en dat er geen wreedheden waren gepleegd. Wat de verklaring van Van de Vrande betreft, de ware toedracht was niet te achterhalen. De jongen was geboeid en werd losgelaten. ‘De aalmoezenier spreekt geen Maleis en het is onwaarschijnlijk dat de jongen in het Nederlands is aangesproken’.

Verder werden drie TRI-militairen gehoord, onder wie een sergeant-majoor. Zij verklaarden dat er wel was geslagen, maar niet ernstig. Niemand was gemarteld. Zij werden goed behandeld.

Op 26 oktober zond Procureur-Generaal (PG) bij het Hooggerechtshof, mr. H.W. Felderhof, het onderzoeksverslag naar de LGG. Deze had het nog willen becommentariëren voor verzending naar de minister, maar door de drukte was dat verhinderd. Op 9 december, mogelijk na een briefwisseling met de minister, schreef de PG aan de waarnemend Eerste Gouvernementssecretaris dat hij enkele conclusies weinig overtuigend achtte en dat in een enkel geval gevangen genomen verzetslieden waren neergeschoten, ‘ten deele onder niet geheel opgehelderde omstandigheden’. Het verslag en de briefwisseling ontbreken in het dossier.

genm b.d. A.A.J.J. Thomson, hier als kol (KL)

De interpretatie van Romijn

Het artikel van Peter Romijn gaat over het verband tussen enerzijds het verzetsverleden, de ongeoefendheid van de ovw-bataljons en anderzijds hun neiging tot wreedheden en moorden. Zij leerden dit al doende. Hij voert voor zijn betoog drie bronnen aan, van wie de eerste twee feitelijk irrelevant zijn omdat zij leiden naar de derde. De eerste is het gewraakte artikel van Beb Vuyk. De tweede een verslag van een oorlogscorrespondent, J.H.W. Veenstra: ‘Politiemannen hielden huis op beestachtige wijze. De gevangenen werden ergerlijk mishandeld en gemarteld. De meesten werden afgemaakt. Van sommigen werden de geslachtsdelen afgesneden. Lijken werden in de rivier gegooid. Later trokken deze flinke kerels nog eens diverse kampongs in en zetten deze in brand [16]. Veenstra getuigde tijdens een van de VARA-uitzendingen van 1969 waar hij aangaf dat zijn bron een Indonesisch verhaal was. In een daaropvolgende uitzending stipuleerde genm b.d. A.A.J.J. Thomson dat Veenstra over de aanval op Pesing een totaal verkeerde voorstelling van zaken had gegeven [17]. Prof. Gert Oostindië van het Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde (KITLV) noemt Veenstra embedded, kennelijk om de betrouwbaarheid van diens getuigenis te onderstrepen [18]. De journalist was evenwel niet in de buurt van de actie en zeker niet embedded. Zijn zegsman zou een zekere B. zijn. Deze B. is de derde bron, die Romijn D. noemt. D. is de hierboven geciteerde kap D.P. Roosenburg [19].

Het kostte enige moeite zijn naam te achterhalen. Hoewel het Nationaal Archief (NA) voorschrijft verwijzingen altijd te beginnen met ‘NLHaNA’, koos Romijn ervoor in noot 66 te volstaan met ‘Testimony captain D.P.R., 12 July 1946, Alg. Sec., Mil. Just., nr. 3741’. Waarom bemoeilijkt Romijn verificatie van zijn bronnen waardoor zelfs de Inlichtingenmedewerker van het NA naar een verkeerde bron verwees? [20] Roosenburg zou een whistleblower zijn. Dat moge zo zijn, maar het blijkt niet uit zijn getuigenis. Hij is wel buitengewoon kritisch op de MP, maar zijn beweringen worden door andere getuigen, zoals de arts Borst, stellig ontkend.

Hier volgen enkele citaten uit Romijns opstel: ‘This frustrating experience, and the ‘irregular’ solution of the matter, occurred just before one of the earliest documented cases of war crimes by Dutch troops. ‘Pesing’ was a clear transgression of the laws of war, which was committed by a KNIL-unit in the first place, mainly consisting of indigenous soldiers’ [21].

De titel van het opstel citeert het Friesland-bataljon dat in het geheel niet bij de actie was betrokken, terwijl de ‘hoofdschuldige’ de MP van het KNIL is [22]. Hoezo, learning on the job?

‘The reasoning of the fact-finding committee was a recipe for blurring the application of military standards of conduct. Safeguarding these should have been a main concern for the army commander. The committee also heard General Spoor, who denied all reports on atrocities, stating that he had been present immediately after the action and established that all was well. He blamed the messengers - the captain, the journalist and the politicians - suggesting that their criticism was politically motivated. In his eyes, the socialists were unreliable in supporting the war, while the Indonesian-born Palar had obviously fallen victim to republican propaganda. In order to placate the government in The Hague and the civil authorities in Batavia, Spoor would repeatedly send forcefully phrased instructions to his commanders and troops in the field about proper behaviour and military standards of conduct’ [23].

Romijn ziet het beleid in Batavia als een groot complot, waarin de hoofdrolspelers elkaars handelingen toedekken. Uit het dossier blijkt echter het tegendeel. De DvJ is kritisch tegenover de LC en de PG uit achteraf zijn twijfels over de bevindingen van de commissie. Spoor wordt niet geloofd, Palar wel.

‘The Pesing case as an early example of a documented atrocity by Dutch troops demonstrates how the volunteers were socialized into the war. They were taught to accept transgressions of the rules of war, even if they did - at this stage - not yet commit such crimes themselves. The volunteers learned from the experience and also learned to frame it into an acceptable narrative, intended to link the notion of ‘doing the job’ with a newly found ‘warrior identity’ [24].

De uitbreiding naar ovw’ers in het derde citaat is een kunstmatige basis onder zijn betoog en vloeit niet voort uit het dossier. Juist de Nederlandse troepen keerden zich tegen de MP, zoals ook Vuijk schrijft. Dat vermeldt Romijn niet.

‘The most blatant case was the 1946 - 1947 case of Southern Sulawesi, where special forces under Captain Raymond P. Westerling killed at least 3,000 while ‘pacifying’ the region’. Het werkelijke aantal is 388 [25]. Romijn construeert een eigen werkelijkheid door van speculaties feiten te maken, eenzijdig bronnen te citeren en zo nodig aan te passen: ‘The men could bask in the golden glow of Allied victory while enjoying ‘a magnificent time of feasting’ on seemingly unlimited supplies of cigarettes and alcohol, the unofficial currencies of the day’.

Opnieuw het Friesland-bataljon: ‘Toen je eindelijk vele van je zolang onderdrukte instincten kon uitleven in heerlijk witbrood, verrukkelijke Players …’ [26].

Schets van kap L. Somer, 1 OVW Jagers

Ten slotte

Ongetwijfeld hebben zich in Pesing feiten voorgedaan die het daglicht moeilijk kunnen verdragen; uit het dossier blijken echter slechts incidenten. In het vuur van het gevecht, zeker als er kameraden sneuvelen, is het moeilijk de emotie uit te schakelen. Oorlog is nu eenmaal mensenwerk. Daar heeft Romijn weinig oog voor. Hij is de moralistische geschiedschrijving toegedaan, waarbinnen geen ruimte is voor het verklaren van ontsporingen en die een goede analyse in de weg staat. Daarmee diskwalificeert Romijn zich als integer geschiedschrijver, mede door zijn suggestieve taalgebruik. De plaatsing van het opstel in een tijdschrift voor de bestudering van genocide is een gotspe.

Romijn was de copromotor van Rémy Limpach die trouw bevindingen van zijn leermeester kopieert. ‘Nederlandse troepen vermoordden, afhankelijk van de bron, drie tot meer dan tachtig gevangenen’. Romijn schrijft ook over de mentaliteit van de ovw’ers die bij deze, in zijn woorden, ‘oorlogsmisdaad’ waren betrokken [27]. Verder: ‘Wat de Britten … irriteerde was het feit dat de Nederlandse commandant in zijn rapport de hevige gevechten bij Pesing had verzwegen’ [28]. Dat blijkt nergens uit. Limpach staat begrijpelijk ook achter het emotionele artikel van Vuyk [29]. Over Van de Vrande: ‘Over het geheel genomen maakten de geestelijke verzorgers … zich weinig zorgen over de verontrustende signalen…’ [30]. Hoewel dat laatste, de smadelijke dood van een pemoeda, nota bene door de aalmoezenier zelf aan de orde was gesteld.

Wij eindigen met een citaat uit een mail van de befaamde Australische historicus Robert Cribb die na confrontatie met de feiten ruiterlijk toegeeft dat de door hem serieus genomen getuigenis van Veenstra vals is [31]. Hij voegt een wijze les toe:

‘Over the course of the decades since I completed Gangsters and revolutionaries, I have become increasingly aware of the difficulties of writing accurately about violence. … I have become acutely aware of the risks of both exaggeration and denial. Because violent incidents are so hard to pin down with evidence, they are highly vulnerable to both over-statement and understatement, to nonchalant disregard and to indignant obsession. For this reason, I welcome efforts to give a clear evidence-based account of violent events; sometimes it means bringing to light otherwise unknown atrocities, sometimes it means deflating exaggerations’.

Een uitspraak gebaseerd op vele jaren internationaal erkende onderzoekservaring.

Eindnoten

1. B.C. Cats, L.I.B.’s in de Tropen. Een overzicht van het verblijf van onze ovw’ers bij de lichte infanteriebataljons in het voormalig Nederlands-Indië 1945-1949 (Maastricht, 1961) 31. 2. B.C. Cats, ibidem, 31. 3.Peter Romijn, ‘Learning on ‘the job’: Dutch war volunteers entering the Indonesian war of independence, 1945–46’, Journal of Genocide Research (14:3-4, 2012) 317-336. De tekst verscheen ook in A. Dirk Moses en Bart Luttikhuis, Colonial Counter Insurgency and Mass Violence, The Dutch Empire in Indonesia (London 2014) 91-110. 4. De tekst volgt het dossier in het Nationaal Archief, archiefinventarisnummer 2.10.14, inventarisnummer 3741 (Pesing). De stukken zijn afkomstig uit de Algemene Secretarie en de daarbij gedeponeerde archieven van de Nederlands-Indische regering (1942-1950). Op het dossier rust een lichte toegangsbeperking die op 1 januari 2022 wordt opgeheven. In de verdere voetnoten zal waar mogelijk worden vermeld om welk stuk uit het dossier het gaat. De verklaringen uit de verhoren zijn niet volledig, waar relevant wel letterlijk en tussen enkele aanhalingstekens. 5. Romijn (Learning, 327) spreekt van zeer licht bewapende revolutionaire troepen 6. NLHaNA, 2.10.14, inv.nr. 3741. In hoofdzaak uit gevechtsrapport, bijlage bij nota LC d.d. 27 mei 1946. 7. Beb Vuyk, ‘De “zuivering” van Pesing’, Baanbreker, 4 mei 1946. Tijdens de Japanse bezetting hadden de Chinezen het zwaar te verduren gehad. 8. NLHaNA, 2.10.14, inv.nr. 3741, nota LC, Kab/388. 9. The Arbus (Melbourne), 18 april 1946. 10. Moet zijn 28. Zie ook: R. McMillan, The British occupation of Indonesia 1945-1946 (Abingdon, 2005) 90. 11. NLHaNA, 2.10.14, inv.nr. 3741. Verslag van het verhandelde tijdens de vergadering van de Commissie-Pesing gehouden op 12 juli 1946 te 9u vm in de zittingszaal van het Hooggerechtshof te Batavia. 12. Vaak een verzamelnaam voor inheemse KNIL-militairen. 13. Frans Goedhart was PvdA-Kamerlid en schreef voor Het Parool. 14. In het dossier bevinden zich drie foto’s met op de achterzijde een stempel en paraaf van de bataljonscommandant. De foto’s tonen ca 25 jonge Indonesiërs, van wie enkelen staande met de handen geboeid op de rug en de overigen ontspannen zittend. 15. En dus ook Vuyk. 16. H.W. Veenstra, Diogenes in de tropen (Amsterdam, 1946) 131-134. 17. S.I. Scagliola, Last van de oorlog, de Nederlandse oorlogsmisdaden in Indonesië en hun verwerking (Amsterdam, 2002) 298. 18. G. Oostindie, Soldaat in Indonesië 1945-1950, getuigenissen van een oorlog aan de verkeerde kant van de geschiedenis (Amsterdam, 2015) 160. 19. Dick Roosenburg (1912-1980) was een telg uit een prominente architectenfamilie, verzetsman en Engelandvaarder. Nadien was hij adjudant van de Commissie Generaal. 20. Mail dd 10 juli 2020, op verzoek in te zien. 21. Romijn, Learning, 328. 22. T. Kingma, Friesland was hier, de lotgevallen van 1-9 R.I. (Franeker, 1948) 73. 23. Ibidem, 331. 24. Ibidem, 332. 25. Ibidem, 331. Bauke Geersing, Raymond Westerling en de Zuid-Celebes-affaire (1946-1947), mythe en werkelijkheid (Soesterberg, 2019) 136. 26. Kingma, Friesland, 8. Volgens Romijn: 'Witbrood is alcohol'. 27. Rémy Limpach, De brandende kampongs van generaal Spoor (Amsterdam, 2015) 36. 28. Ibidem, 204. 29. Ibidem, 204, 224, 620. 30. Ibidem, 596. 31. Op verzoek in te zien.