OPINIE - BINNENLAND

Veteranenterugkeerreis als pelgrimage

BART HETEBRIJ voormalig humanistisch raadsman Defensie

Graag wil ik u iets vertellen over mijn ervaringen met een hele specifieke terugkeerreis, Marš Mira, een driedaagse tocht ter herinnering aan alle in Srebrenica op de vlucht omgekomen en vermoorde mannen en jongens in 1995. Ik plaats deze reis in de traditie van ‘pelgrimages’, zoals Run for the Wall van Vietnam-veteranen en Almost Sunrise van Amerikaanse veteranen van de oorlog in Irak.

Inleiding

Laat ik eerst proberen duidelijk te maken wat onder pelgrimeren verstaan kan worden. Iedereen heeft daar wel een idee bij. Ook op internet is daar best het een en ander over te vinden. Zo wordt pelgrimeren omschreven als reizen naar een heilige plaats. Een ander woord hiervoor is bedevaart. Soms doe je het op eigen initiatief, soms is het de invulling van een religieuze plicht. We zien het in alle godsdiensten terug. Bekende voorbeelden zijn de tocht naar het Spaanse Santiago de Compostella of Lourdes in de Pyreneeën. In de islam heb je de hadj, de pelgrimstocht naar Mekka. Het is eigenlijk zo oud als de mensheid.

Niet alle pelgrims hebben godsdienstige motieven. Denk aan het bezoeken van Elvis Presley’s Graceland, het graf van Jim Morrison in Parijs of de Walk of Wisdom rondom de stad Nijmegen. Vaak gaat het daarbij om een zoektocht naar het ‘zelf’. Wie ben ik nou eigenlijk? Wat is er van mij geworden? Wat wil ik met mijn leven? Het zijn existentiële vragen die vaak opkomen naar aanleiding van indrukwekkende gebeurtenissen. Deze vragen als drijfveer vind je bijvoorbeeld terug in het televisieprogramma ‘De weg naar Santiago’ van Wilfred Kemp. Hij volgt pelgrims tijdens hun tocht en luistert naar hun bijzondere verhalen, die vaak gaan over ingrijpende gebeurtenissen in de levens van die personen. Die gebeurtenissen roepen existentiële vragen op en zijn dan de aanleiding voor de pelgrimstocht. Over het waarom van de pelgrimage is ook veel geschreven. Voor de één zou een heilige plaats het gevoel versterken dichter bij het goddelijke te komen. Voor een ander is de reis zelf belangrijker dan het reisdoel, omdat het onderweg zijn een catharsis, een reiniging, teweeg kan brengen. Bij die gedachte sluit ik me graag aan.

Run for the Wall

Het eerste voorbeeld van een dergelijke reis is de motortocht Run for the Wall van Vietnam-veteranen. Deze motortocht gaat dwars door Amerika, van Californië naar Washington DC, en eindigt bij The Wall, het monument met de namen van alle gesneuvelde militairen van de Vietnam-oorlog. Tijdens de reis komen de mannen eindelijk thuis. Deze veteranen hebben Amerika verlaten als zonen van een land dat eensgezind ten strijde trok tegen het communisme, maar kwamen terug in een land dat tijdens hun uitzending naar Vietnam hevig gekant was geraakt tegen die oorlog. Zij voelden zich ongewenst en ontheemd. Het land waarvoor zij gevochten hadden was niet meer het land waarin zij terugkwamen. Die gevoelens belemmeren de naoorlogse aanpassingen van de veteraan in hoge mate.

Maar, zoveel jaar na dato, op weg naar The Wall worden de bikers alsnog verwelkomd door honderden Amerikanen die langs de route staan en de veteranen een warm welkom heten in Amerika. Het zijn de mensen naast de weg die de tocht tot een pelgrimage maken. De reis zelf, samen met deze mensen, definieert een nieuw thuis.

Almost Sunrise

De documentaire Almost Sunrise vertelt het verhaal van twee Amerikaanse Irak-veteranen die na hun uitzending worstelen met de vraag wat zij tijdens hun missie eigenlijk precies hebben gedaan en waarom zij door de politiek op uitzending zijn gestuurd. Zij merken dat zij bij thuiskomst moeite hebben om zich weer in bij gezin en in de samenleving in te voegen. Door wat zij in Irak hebben meegemaakt, zijn zij anders tegen het leven aan gaan kijken. Om aandacht te vragen voor hun situatie en die van collega-veteranen besluiten zij zes jaar na terugkomst een wandeling van bijna 4.500 kilometer te maken. Ze lopen van Midden-Amerika naar Californië en gaan onderweg met omstanders en belangstellenden in gesprek. Er zijn zelfs veteranen die een stuk van de route met hen meelopen. Het is, net als bij de Run for the Wall, geen echte terugkeerreis in die zin dat ze teruggegaan zijn naar Irak, maar wel een soort van seculiere pelgrimage om de gebeurtenissen, opgedaan tijdens de uitzending, te kunnen integreren in hun leven door het maken van deze reis.

The Wall, het Vietnam-monument, Washington DC (foto: Wikimedia Commons)

Marš Mira

Het derde voorbeeld is de terugkeerreis naar de voormalig enclave Srebrenica in 2010 waarheen ik zelf vijfentwintig jaar geleden uitgezonden ben geweest. Tijdens die reis heb ik als begeleider van een groep Dutchbat-veteranen deelgenomen aan Marš Mira, de jaarlijks terugkerende vredesmars. Deze tocht is de voorbereiding op en onderdeel van de herdenking op 11 juli. Op die dag wordt jaarlijks herdacht dat in juli 1995 acht- à negenduizend mannen en jongens tijdens hun vlucht uit de enclave Srebrenica vermoord werden door Bosnisch-Servische eenheden en paramilitaire groeperingen. Hervonden en geïdentificeerde resten van slachtoffers uit massagraven worden op deze dag herbegraven. De mars start in Nezuk en eindigt circa honderd kilometer verder en drie dagen later in Potocari bij het Memorial Center. Het is de omgekeerde route die de vluchtelingen destijds liepen in 1995. In totaal liepen er ongeveer vierduizend personen mee.

Laat ik het maar vertellen zoals ik het destijds opgeschreven heb. Tijdens de tocht raakten we in gesprek met allerlei deelnemers. Iedereen schijnt te weten dat wij dutchbatters zijn. Men vraagt ons waarom wij meelopen en is geïnteresseerd in ons verhaal. Mijn antwoord is dat ik meeloop uit respect voor de doden en uit solidariteit met de familie en de overlevenden. Dat stelt men op prijs. Er is geen wanklank in onze richting gevallen. Het is een fysiek zware tocht over eindeloze grindpaden en beboste hellingen. Soms glijd je uit als waterlopen over de paden stromen en honderden voorgangers die paden tot een grote smurrie vertrapt hebben. We helpen elkaar. Wat een saamhorigheid! Dan komt het einde in zicht. In de verte zie ik de enorme begraafplaats. Duizenden witte paaltjes reflecteren in het zonlicht. Bij de aankomst in Potocari lopen we door een haag van mensen. Aan de ene kant van de weg ligt het voormalig hoofdkwartier van Dutchbat. In het zogenoemde Blue Hotel, het oude slaapgebouw van ons dutchbatters, staan 775 kisten klaar voor de herbegrafenis van in 1995 omgekomen vluchtelingen. Aan de andere kant van de weg ligt de begraafplaats waar op dat moment in 2010 al vierduizend omgekomen en vermoorde vluchtelingen begraven waren.

De mensen uit de haag klappen niet, zoals men dat bij aankomst van de Vierdaagse zou doen, maar men zwijgt en kijkt ons alleen maar aan. Sommige tieners staren ons huilend aan. Dat geeft een ongemakkelijk gevoel. Vervolgens gaat de route over de begraafplaats. Een man blijft mij aankijken, houdt mijn blik gevangen. Hij kijkt niet beschuldigend of bestraffend. Moet ik hem kennen? Ik kan mij niet losmaken van die blik. Als vanzelf komen bij mij vragen naar boven: ‘Waar was ik toen, wat heb ik gedaan om dit te voorkomen, wat was mijn rol, wie ben ik om hier te komen, hoe kijk ik daarop terug, durf ik verantwoordelijkheid te nemen?’. In de drukte word ik voortgestuwd. Ik sla mijn ogen neer. Opgelucht ga ik verder. Maar de blik verdwijnt niet, heeft zich vastgezet in mijn geest. Als de ronde over de begraafplaats voltooid is, vormt een aantal deelnemers van de mars een dubbele haag van Blue Hotel naar de tegenoverliggende begraafplaats. Een voor een worden de 775 kisten doorgegeven. Ook wij staan in de rij om de kisten door te geven. De grafkisten wegen niet zwaar. De inhoud is niet meer dan wat botresten. Bij het doorgeven, rammelen de botten in de kist. De 775 kisten zijn nu op de begraafplaats klaargezet voor de plechtigheid de dag daarop.

De tocht gaf verbondenheid met de mensen om je heen en stemde tot nadenken

Op de dag van de ceremonie arriveren tientallen bussen en zo’n veertig- à vijftigduizend mensen op de voormalige compound van Dutchbat. Het is ook nog eens bloedheet. De gelijkenis met juli 1995 kan niemand ontgaan. De mensen dringen zich op naar de begraafplaats waar de namen van de slachtoffers worden omgeroepen en de familieleden overgaan tot de plechtigheden die horen bij een begrafenis. Islamitische gebeden en gezangen klinken op. Voor mij persoonlijk is deze reis door het uitlopen van de mars en het doorgeven van de kisten de afsluiting van mijn uitzending die ik destijds als gestrande verlofganger in Zagreb nooit heb kunnen afmaken. Maar het is ook het begin van het realiseren van wat zich daar toen heeft afgespeeld en jezelf de vraag stellen: ‘Hoe zit het met mijn rol, wat is mijn aandeel, hoe zit het met het nemen van mijn verantwoordelijkheid? Is het tonen van respect en solidariteit genoeg?’ De tocht gaf verbondenheid met de mensen om je heen en stemde ook tot nadenken. Soms, op moeilijke momenten, voelde het als boetedoening. Kortom, een soort van pelgrimage.

Massabegraafplaats, Srebrenica (foto: Wikimedia Commons)

Tot slot

Wat hebben deze drie tochten, de Run for the Wall, Almost Sunrise en Marš Mira nu gemeen? Het is niet alleen dat de reis zelf belangrijker is dan het reisdoel, maar ook dat men heling zoekt van opgelopen morele verwondingen. In Engelstalige literatuur is al veel informatie te vinden over het thema moral injuries. Het gaat daarbij niet zozeer om een gevoel van fysieke onveiligheid, waarbij het eigen leven of dat van een ander op het spel staat, zoals in het geval van de posttraumatische stressstoornis, maar veel meer om een geschokt gevoel in het vertrouwen. Het is het geschokt zijn in je diepste overtuigingen en verwachtingen over wat goed en rechtvaardig is en wat niet.

De Vietnam-veteraan was ervan overtuigd dat hij namens de samenleving voor de goede zaak streed. Bij terugkomst bleek dit allerminst het geval te zijn. Hij voelde zich ongewenst en geschokt in zijn vertrouwen in de samenleving. Met als gevolg dat hij zich isoleerde van die samenleving. Drugsgebruik en het aantal zelfdodingen waren schrikbarend hoog. In het geval van de Irak-veteranen was men geschokt in het vertrouwen in de politiek, die niet eerlijk en duidelijk was over de motieven om hen naar Irak te sturen. De massavernietigingswapens van Saddam Hoessein zijn nooit gevonden. Men voelde zich bedrogen door de eigen regering. Dutchbat-militairen waren geschokt te vernemen dat op het moment dat de nood het hoogst was, de beloofde en toegezegde luchtsteun van de VN niet kwam. Zij werden aan hun lot overgelaten. Als ik later aan hen vroeg wie nou in hun ogen de grootste boosdoener was, noemde men steevast de VN. Na terugkomst kantelde in no time het beeld in de media van de dutchbatter van held naar lafaard. De politieke en militaire leiding legde de verantwoordelijkheid van dit nationale trauma, zwarte bladzijde of hoe je het ook wil noemen, bij de individuele Dutchbat-veteraan. Dat kwam hard aan. Het verdiepte de eerder opgelopen trauma’s en vertraagde de gang naar de hulpverlening. De morele schade die zij na de missie daardoor opliepen, is enorm.

Over het algemeen is het deelnemen aan Marš Mira voor de meeste veteranen zinvol geweest; voor de een als terugblik op wat de uitzending betekend heeft in zijn leven, voor een ander als afronding van zijn missie, voor weer een ander de gelegenheid om daarna ‘echt’ thuis te komen, zonder deze keer de oorlog mee terug te nemen en als heling van de opgelopen morele verwondingen.