Dr. Martijn Kitzen is Universitair Hoofddocent Krijgswetenschappen aan de Nederlandse Defensie Academie en voormalig officier.

OPINIE - BINNENLAND

Afwijzing

MARTIJN KITZEN

Een keiharde afwijzing. Zo voelt de nieuwe aanwijzing van de Secretaris-Generaal (SG) omtrent extern optreden, mediacontacten en publicaties. De afgelopen tijd heb ik dit te vaak gehoord van zowel militairen als burgermedewerkers uit alle gelederen van Defensie.

Deze mensen maken zich oprecht zorgen over de invloed van een gebrek aan transparantie op het operationele vermogen. Paradoxaal genoeg wil ook de SG de organisatie juist beschermen, maar zij trekt een radicaal andere conclusie door strikte beperkingen op te leggen. Daarbij baseert ze zich onder andere op de (Militaire) Ambtenarenwet die stelt dat medewerkers zich dienen ‘te onthouden van het openbaren van gedachten of gevoelens indien hierdoor de goede vervulling van hun functie of de goede functionering van de openbare dienst niet in redelijkheid zou zijn verzekerd’. Op zich is er niks mis met dit argument, net zomin als met de geheimhoudingsplicht. Defensiemedewerkers kunnen nu eenmaal niet alles in het openbaar delen en dat realiseren de meesten zich maar al te goed. Maar wat als militairen of burgers juist naar buiten willen treden om bij te dragen aan ‘de goede vervulling van hun functie of de goede functionering van de openbare dienst’? Daar houdt de aanwijzing geen rekening mee, ze gaat uit van het negatieve. Sterker nog, ze werpt drempels op doordat eerst toestemming of advies moet worden gevraagd aan de Directie Communicatie. En als men zich niet aan de regels houdt dan volgen er mogelijk disciplinaire maatregelen. Geen wonder dat dit voor veel bezorgde medewerkers als een afwijzing voelt.

Dit moet en kan anders. Transparantie is vandaag de dag een must. Dat is niet alleen van belang voor het draagvlak in de samenleving, maar ook operationele noodzaak. We leven in een in onzekere wereld waarin allerlei partijen invloed proberen uit te oefenen. Beperkende maatregelen voeden de achterdocht die bij sommige mensen in onze maatschappij aanwezig is en spelen onze tegenstanders in de kaart. Dat geldt overigens ook in missiegebieden. Een helder en zo transparant mogelijk verhaal is veruit de beste manier om dit tegen te gaan. Het restrictieve karakter van de aanwijzing geeft het zoveelste signaal dat dit een stap te ver lijkt voor de ambtelijke top. Vooral vanuit operationeel oogpunt vind ik dat zorgelijk. Voor wat betreft het draagvlak in de samenleving heb ik wel vertrouwen in mijn militaire en burgercollega’s. Die zijn stuk voor stuk ambassadeurs voor Defensie, ook als ze niet bij Communicatie langs zijn geweest.

Wat mij op dit moment de meeste zorgen baart, is de invloed van de aanwijzing op het lerend vermogen van de organisatie. De Amerikaanse historicus John Lynn wijst in zijn boek Battle op het belang van het militaire discours voor de ontwikkeling van nieuwe concepten en het leren van de juiste lessen. Door met elkaar in discussie te gaan en kritisch te kijken naar de eigen organisatie bereid je je voor op toekomstige conflicten. Dit is hard nodig gezien de sneltreinvaart waarmee oorlogvoering zich op dit moment ontwikkelt. Maar hier wringt dus de schoen. De aanwijzing van de SG hindert dit proces omdat zij drempels opwerpt die het voor medewerkers moeilijk maken zich in het debat te mengen door bijvoorbeeld een artikel te publiceren. Dat is ronduit schadelijk. Zeker wanneer we bedenken dat Nederland een lange traditie kent op dit gebied. De Militaire Spectator bijvoorbeeld verschijnt al sinds 1832 en biedt net als Carré een platform voor het aanjagen van de discussie. Ik bespeur echter dat dat er vroeger wat kritischer aan toe ging dan nu. Tijdens de Eerste Wereldoorlog werden in Nederlandse militaire tijdschriften de lessen van het slagveld bijvoorbeeld vanuit verschillende invalshoeken belicht en daarbij werd de eigen organisatie niet ontzien. De discussie die daaruit voortkwam leidde tot aanpassing in de krijgsmacht, soms nog voordat de strijdende partijen die goed en wel hadden doorgevoerd. In andere landen is dit ook vandaag nog gebruikelijk. Fora als bijvoorbeeld het Britse Wavell Room of het Amerikaanse War on the Rocks moedigen kritisch denken aan en roepen zelfs op tot een tegengeluid. Dat kan ook prima want in die landen wordt dit gezien als essentieel onderdeel van het leerproces. Daar hoef je niet eerst toestemming te vragen of bang te zijn voor disciplinaire maatregelen als je dat niet doet.

Kortom, transparantie en een kritisch geluid zijn essentieel voor Defensie. Als je daar drempels voor opwerpt, dan maak je het niet alleen moeilijker om het draagvlak te vergroten, maar je speelt ook tegenstanders in de kaart en beperkt het lerend vermogen. Dat heeft grote gevolgen voor de operationele inzetbaarheid in toekomstige (en lopende) conflicten. De aanwijzing van de SG is bedoeld om Defensie te beschermen, maar doet dus afbreuk aan de organisatie. Daar kan toch niemand voor zijn?