Mariniers tijdens de Eerste Politionele Actie (foto: NIMH)

OPINIE - BINNENLAND

Oorlog en oorlogsmisdadigers?

KOL B.D. CHARLEF BRANTZ

Niet breed en niet beide zijden

De Nederlandse regering heeft besloten om de gewelddadigheden tijdens de Politionele Acties breed te laten onderzoeken. Men kan zich afvragen wat onder ‘breed’ moet worden verstaan en waarom na meer dan vijfenzeventig jaar die acties onderzocht moeten worden. Welk doel beoogt de regering daarmee en wat wil men met de resultaten van dat brede onderzoek gaan doen? Betekent ‘breed’ het onderzoeken naar excessen aan beide zijden? In dat geval is medewerking en ondersteuning van de Indonesische regering absoluut noodzakelijk en het is maar de vraag of en in hoeverre in Indonesië meegewerkt kan en mag worden aan het blootleggen van eigen geweldsexcessen. Is er niet genoeg onderzoek gedaan? Of beantwoorden de resultaten van die onderzoeken niet aan het opmerkelijke zelfreinigende vermogen van de moderne mens? In de schriftelijke weergave van geweldsexcessen op Java en Sumatra valt het ook op dat auteurs regelmatig gebruik maken van onevenwichtige premissen en onjuiste termen. Er wordt voortdurend gesproken over oorlog en oorlogsmisdrijven, Indonesië en Republikeinse militairen, KNIL etc. Vragen meer dan genoeg; weinig of geen antwoorden.

Geen Republiek, geen Indonesië, geen militairen

Indonesië en Republikeinse militairen? Opmerkelijk dat zelfs wat deze terminologieën betreft, veel zich wetenschapper noemende auteurs zich bezondigen aan het gebruik van een niet toepasselijke benaming: Republikeinse militair. Hoewel Soekarno, na sterk en voortdurend aandringen door de groep jonge agressieve pelopors, twee dagen na de capitulatie van Japan op 17 augustus 1945 de Republik Indonesia had uitgeroepen, werd de archipel werd pas na 15 augustus 1950 internationaal als autonome eenheidsstaat erkend. Overigens was Republik toen een misleidende term, want Indonesië bleef voorshands beperkt tot Java en delen van Sumatra en er was geen bestuursmodel noch instituties die inhoud gaven aan de term republiek.

Voor die tijd beschikte de archipel niet over een inheems bestuursapparaat noch over een naar binnen en buiten georiënteerd veiligheidsapparaat en bestond er geen functionerende justitiële organisatie, zoals politie, openbaar ministerie (OM) en rechterlijke macht. Andere instituties, zoals die ook in die tijd in westerse democratieën gebruikelijk waren, ontbraken. Kortom, de jure was er geen sprake van een republiek. In het verlengde daarvan was ook er ook geen sprake van een Indonesische nationaliteit, noch van militairen, die middels uniform en onderscheidingen een natie vertegenwoordigden en openlijk wapens droegen. De gedragswijze, vooral het gebruik van het wapen, zou gebonden moeten zijn aan een Militair Straf- en Tuchtrecht dat was gebaseerd op de geldende internationale wetgeving, gedragsregels en regulering van gewapend geweld in de vorm van rules of engagement (ROE).

Omdat Soekarno’s proclamatie geen formele status had, was er ook geen sprake van een Indonesische nationaliteit. Daarom is het relevant om vast te stellen welke nationaliteit inheemse etnische entiteiten van de archipel wel hadden. Gelet op het feit dat het gros van het vooroorlogse KNIL gevuld was met dienstplichtigen, die uit het geheel van inheemse etnische entiteiten gemobiliseerd werden, is het aannemelijk dat alle in de archipel levende inheemse entiteiten de Nederlandse nationaliteit hadden. Mochten ze inderdaad de Nederlandse nationaliteit hebben gehad, dan is de volgende vraag of ze die ook na het einde van de Tweede Wereldoorlog (WO II) tot aan de onafhankelijkheidsverklaring in 1950 nog steeds hadden. Welke nationaliteit hadden bijvoorbeeld Hatta en Soekarno? En was dat te lezen op een identiteitsbewijs? Wanneer ook de leden van inheemse etnische entiteiten de Nederlandse nationaliteit bezaten, is er sprake van binnenlandse extremisten (gewapende activisten) die zich toespitsten op het omverwerpen van het Nederlandse bestuursmodel en daaraan verbonden instituties.

Er was geen sprake van een Republikeinse militair, maar van een inheemse rebel, opstandeling of, omdat het een bewapende persoon betreft, een extremist die zich bediende van terroristische instrumenten en methoden om het zittende bestuursmodel onderuit te halen. Zijn doelstelling was destabilisatie en ontmanteling.

Oorlog, oorlogsmisdrijf en oorlogsmisdadiger

Oorlog en oorlogsmisdrijven? Wanneer er geen sprake is of kan zijn van twee autonome staten die met georganiseerde, herkenbare geweldsstructuren en het gereguleerde gesanctioneerde gebruik van gewapend geweld elkaar naar het leven staan, is er geen sprake van oorlog. Een versterking van de hierboven beschreven uitleg over het ontbreken van een Indonesische nationaliteit en het ontbreken van een militaire strijdmacht. Dus kunnen binnen die context ook geen oorlogsmisdrijven gepleegd zijn, laat staan onderzocht worden.

In de epiloog van F. van der Veen, Het optreden van de Nederlandse en Republikeinse Strijdkrachten, die als bijlage 2 aan hoofdstuk 12 van het werk van dr. Loe de Jong (Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog) is gevoegd, wordt dat met behulp van internationale verdragen en spelregels duidelijk uiteengezet[1]. Volgens die uitleg is strafvervolging wegens oorlogsmisdrijven niet mogelijk en moet voor de rechtvaardigheidsgrond en strafuitsluiting op basis van noodweer in een noodtoestand (is die door de wettige regering uitgeroepen?) teruggevallen worden op het Nederlandse Wetboek van Militair Straf- en Tuchtrecht en het Nederlandse Strafrecht.

Bij het gebruik van gewapend geweld in een oorlog moeten, volgens Van der Veen, Nederlandse militairen zich houden aan normen van het internationaal oorlogsrecht, zoals bij de Conventie van Genève van 1906 en het verdrag van de Haagse Vredesconferentie van 1907 zijn vastgesteld. Deze normen zijn van toepassing zowel op de krijgsmacht als op vrijwilligerskorpsen van strijdende mogendheden, die herkenbaar moeten zijn door op enige afstand (de vraag is of die afstand is gerelateerd aan het blote oog of verder dan het blote oog reikende waarnemingsmiddelen) identificeerbare onderscheidingstekens, openlijk dragen van wapens en zich houden aan wetten, regels en gebruiken van een gewapend conflict.

Net als militairen zouden die strijders ontvoerde en weggevoerde mensen conform vastgelegde en internationaal geaccepteerde en erkende regels moeten behandelen. Wanneer een van de strijdende partijen zich niet aan die regels houdt, is het oorlogsrecht niet meer bindend voor de tegenpartij. Omdat de pelopors zich niet aan die regels gebonden voelden, was dat de realiteit in Nederlands-Indië in het algemeen en delen van Java, Sumatra en Celebes in het bijzonder. Ook vanuit die invalshoek is het terugvallen op internationale reguleringsovereenkomsten zoals het huidige International Humanitarian Law (IHL) en ROE om in geweldsconflicten vast te stellen of sprake is van excessief geweld, niet van toepassing.

Excessief geweld, een merkwaardige term

Wanneer dat juist is, moet de vraag beantwoord worden welke meetlat moet worden gebruikt om te kunnen vaststellen of er sprake is van excessief geweld. In beginsel is gewapend geweld getoetst aan de gebruikelijke omgangsnormen en -vormen m.i. altijd excessief. Bij die vaststelling komt de subjectieve vertaling op basis van ideologie, ervaringsachtergrond en kennis van beschikbare en toegankelijk wetboeken aan de orde. Doorgaans is het ‘ik vind dat’ gevoel richtinggevend voor de invulling van de term excessief, waardoor die een subjectieve strekking en toonzetting krijgt.

Het optreden van inheemse opstandelingen was aanvankelijk een combinatie van plundering, molesteren, vrijheidsberoving, brandstichting, vernieling en het vermoorden van Europeanen en personen met een te lichte huidskleur die gedwongen buiten de interneringskampen moesten verblijven en alle etnische entiteiten die verdacht werden van pro-Nederlandse sympathieën. De acties van deze ongeregelde bendes inheemse mannen[2] en jongens ontaardden in rassenvervolging van Europeanen en Chinezen.

De toenmalige commandant van de militaire politie in Soerabaja stelde: ‘Het was een revolutie van de kampong-mensen. Ik moest met zo veel verschillende mensen praten. De Indonesische bevolking werd in die chaos steeds rustelozer, en sloeg uiteindelijk aan het moorden. Waar die moorden begonnen en waarom, is moeilijk te bepalen’. Uit zijn woorden blijkt dat inheemse entiteiten in ieder geval in de regio Soerabaja begonnen zijn met het ontvoeren, afvoeren en vermoorden van Europeanen en Indische Nederlanders. Hij stelt dat het Ploegman incident - het hijsen van de Nederlandse vlag op het Oranje Hotel in Soerabaja door Victor Ploegman - de start van de gewelddadigheden in de regio Soerabaja is geweest[3].

Het hijsen van de Nederlandse vlag op het Oranje Hotel was de aanleiding tot de gewelddadigheden in de regio Soerabaja

Er werd verwacht dat de gewelddadigheden door het inbrengen van Britse troepen zouden stoppen, maar in de regio Soerabaja was dat niet het geval[4]. In de loop van oktober 1945 namen de Britten de bescherming van Europeanen van achtergebleven Japanse en Koreaanse militairen bij de interneringskampen over. Volgens militair jurist (b.d.) Ton Kempenaars hadden de Britten in bepaalde regio’s een order uitgevaardigd dat lieden die zich gewapenderhand verzetten, standrechtelijk mochten worden geëxecuteerd. Toen Nederlandse troepen in november 1946 die taak van de Britse eenheden overnamen, werden zij geïnformeerd hoe de Britten geprobeerd hadden om in de achterliggende dertien maanden gewelddadigheden te kanaliseren en te beperken om orde en rust terug te brengen.

Op het dak van het Oranje Hotel in Soerabaja vond het ‘Ploegman-incident’ plaats. Een tekst die het incident herdenkt is te lezen op de muur van het hotel.

Guerrilla

De extremisten gingen in 1946 over tot het ontvoeren en gijzelen van Europeanen die buiten de interneringskampen woonden. Die werden afgevoerd naar plaatsen buiten het bereik van de Britse en Nederlandse eenheden. Daarnaast was in militair opzicht min of meer sprake van het uitvoeren van snelle hit-and-run acties in termen van overvallen, aanslagen en hinderlagen op militaire legerplaatsen en konvooien en terroristische acties tegen de burgerbevolking.

Van der Veen noemt dat een guerrilla, ‘een gewapende strijd waarbij ongeregelde strijders een reguliere krijgsmacht trachten te ontregelen en uit te putten, terwijl vanwege het verschil in vuurkracht een rechtstreekse confrontatie door die strijders zo veel mogelijk wordt vermeden’[5]. Er wordt in diverse artikelen nogal snel gesproken over Nederlanders die (krijgs-)gevangen genomen waren. Volgens mij was daar geen sprake van, want dan zou er sprake zijn van het onder bewaking plaatsen van mensen in een daartoe uitgeruste locatie, waar geest en lichaam niet werden blootgesteld aan schending, marteling en aanranding. Dat is nooit het geval geweest.

Persoonlijk heb ik een ander beeld van een guerrilla. Letterlijk betekent guerrilla ‘een in schaal, intensiteit en tijd beperkte oorlog’. Er was geen sprake van een oorlog en dus ook niet van een beperkte oorlog. Ik denk dat door het ontbreken van een officiële Indonesische nationaliteit en de veronderstelling dat ook de inheemse bevolking formeel nog een Nederlandse nationaliteit had, beter over binnenlands terrorisme gesproken kan worden. En terrorisme was het, want ook de inheemse bevolking werd zodanig onder druk gezet dat hen niets anders resteerde dan mee te werken. De kampongs en hun bewoners werden misbruikt als menselijk schild. Nederlandse militairen en Europese burgers die in handen vielen van die inheemse geweldsgroepen werden gemarteld, verminkt en onthoofd. Dat gebeurde niet in de hitte van een gewapende strijd. In tegenstelling tot de extremisten was het optreden van Nederlandse militairen onderworpen aan een veelvoud van regels en voorschriften, waarbij een menselijke benadering van gevangengenomen inheemse strijders voortdurend werd benadrukt.

De rol van KNIL-militairen

Nog een kort woord over het KNIL. Na de capitulatie op 8 maart 1942 te hebben ondertekend op de vliegbasis Kalidjati bestond het KNIL de facto niet meer. De jure echter, betekende de soevereiniteitsoverdracht aan de Republiek Indonesië op 27 december 1949 het definitieve einde van het KNIL en kregen KNIL-militairen de keuze om over te gaan naar de Koninklijke Landmacht, of om toe te treden tot de strijdkrachten van de Republik Indonesia Serikat of te worden ontslagen met behoud van pensioen. Om de grote traditie van het KNIL te behouden werd bij Koninklijk Besluit (KB) van 1 juli 1950 onder meer bepaald, dat ‘de traditie van het Koninklijk Nederlandsch Indisch Leger overgenomen en voortgezet wordt door het Regiment Van Heutsz’. Op 26 juli 1950, 00.00 uur, kwam na een 120-jarig bestaan formeel een eind aan een leger met een politiekarakter, dat bij tijd en wijle in Nederland tot de verbeelding heeft gesproken.

Conclusie

Omdat geen sprake was van een gewapend conflict tussen twee natiestaten, was er ook geen sprake van een oorlog. Omdat rebellen, opstandelingen, gewapende activisten of extremisten niet herkenbaar waren als strijders, was er ook geen sprake van militairen, noch van een militaire structuur in de ware zin van de term. Omdat de jure geen sprake is van een natiestaat met de naam Indonesië, was er ook geen sprake van een republiek, republikein en een Indonesische nationaliteit. De inheemse etnische entiteiten vielen nog steeds onder Nederlandse jurisdictie.

Omdat er geen sprake was van een oorlog, noch van een republiek, kan een Nederlandse militair niet volgens het oorlogsrecht worden aangeklaagd en vallen excessen - indien vastgesteld - onder het Militaire Straf- en Tuchtrecht en, wat de rechtvaardigheidsgrond en daardoor strafuitsluiting op basis van noodweer in een noodtoestand betreft, op het Nederlandse Strafrecht.

Het door Ton Kempenaars gebruikte citaat uit het boek De laatste landvoogd (p. 252) van J.C. Bijkerk is treffend: ‘Gezien vanaf een bureaustoel in Den Haag waren de methodes van kapitein Westerling natuurlijk in strijd met het Verdrag van Geneve en dus volstrekt af te wijzen…. Het uiteindelijke resultaat was rust en vrede voor de geteisterde bevolking….Niets is echter weerzinwekkender dan de kille opsomming van cijfers die de totale omvang en gruwel van de oorlog moeten weergeven’. Ik zou er aan willen toevoegen dat een beschouwing van vermeende excessen uit het verleden aan de hand van het huidige normen- en waardenpatroon, vertaald in oorlogsregelingen, IHL en ROE een onjuist vertrekpunt is, een bevestiging is van een zelfreinigend vermogen om het veronderstelde nationale schuldgevoel over het koloniale verleden te versterken.

Een voorbeeld van essentieel fout denken.

Eindnoten:

  1. Zie ordonnantie Begripsomschrijving oorlogsmisdrijven van I juni 1946, Ind. Stbl. 1946, nr. 44. voor onderdanen van het Japanse Keizerrijk tijdens de Tweede Wereldoorlog vastgesteld op basis van Declaratie van Moskou van 1 november 1943, het Charter van het Internationale Tribunaal vastgesteld te Londen op 8 augustus 1945 en de Samenvatting van de aanbevelingen van de commissie van de Verenigde Naties van 29 augustus 1945 betreffende Japanse oorlogsmisdrijven.
  2. Hario Kecik, destijds commandant van de militaire politie in Soerabaja kwalificeerde die bendes als volgt: ‘Niemand wist meer wie de baas was in het land. De Japanners wachtten tot internationale troepen ze zouden ontwapenen en aflossen. Nederlanders en Britten waren er nog niet. De revolutionairen waren verdeeld over ontelbare lokale strijdgroepen en groepjes’.
  3. Wie de vlag heeft gehesen is nog steeds een punt van discussie, Ploegman of Lansdorp. De zeventien Europeanen/Indische Nederlanders die de Groep Ploegman vormden zijn volgens Hario Kecik gedood door betjakrijders met de sabels van de aanwezige politiefunctionarissen. Na de moorden ging het gerucht dat de Indische Nederlanders wraak gingen nemen en dat bleek voor de kampong-bevolking het sein te zijn om moordend door Soerabaja te trekken. Honderden mannen, vrouwen en kinderen werden met messen en bamboesperen vermoord.
  4. De dood van de commandant van de Britse troepen was de start van de Slag om Soerabaja in oktober 1945. De konvooien met Europeanen en Indische Nederlanders die op last van de Britten naar interneringskampen afgevoerd werden, werden onderweg door pelopors aangevallen. Daarbij vielen opnieuw veel slachtoffers (bron: Wikipedia).
  5. Definiëring Wikipedia.