HISTORIE

Terug naar Madoera (2)

KOL B.D. MAARTEN DE JONGH SWEMER

De auteur is overlevende van een jappenkamp en was getuige van het bevrijdende effect van het optreden van kap Westerling in Zuid-Celebes, dat hij eerder beschreef in het artikel in Carré 1-2021. ‘Terug naar Madoera’ is een vervolg op dat artikel en is vanwege de omvang in twee delen gesplitst; het eerste deel werd geplaatst en Carré 3-2021. Dit is het tweede deel.


Het leven op Madoera van een overste, bataljonscommandant en militair commandant

Aan de westkust van het eiland Madoera ligt de stad Bangkalan. Daar was een kazerne met een basisbezetting van KNIL-militairen. Aan de alun-alun op het grote grasveld in het midden hadden we een vrijstaand huis en rechts van ons aan de korte zijde was de tangsi. Grote bomen omzoomden de alun-alun en wierpen een schaduw, en kappers, saté- en nassiverkopers togen met hun spullen aan een soepele draagstok van de ene beschaduwde plek naar de andere om hun waren aan te bieden. Het huis was ruim en geschikt om gasten te ontvangen en die kwamen ook regelmatig bij ons eten. We hadden personeel, dat graag kwam werken voor de zekerheid van inkomen en veiligheid. Een djongos, die het huishouden bestierde met baboes als hulpen in de huishouding voor de was en het eten.

Elke ochtend als vader naar de tangsi was vertrokken, kwam de djongos bij moeder, die in haar rotan stoel zat. Hij hurkte naast haar, want de adat schreef voor dat zijn hoofd nooit mocht uitsteken boven dat van de werkgever. Moeder vertelde hoeveel gasten kwamen of wat ze graag op tafel wilde zetten. Hij rekende dan snel uit hoeveel het kostte voor die dag en kreeg dan een voorschot. Daarmee gingen de baboes naar de markt, de passar, om vers eten in te slaan. Soms namen ze een kip of haan mee aan de poten, de kop omlaag hangend. Die mochten aan een touwtje in de bijgebouwen wat in de grond wroeten tot ze met een mes de kop werd afgesneden en het dier letterlijk als een kip zonder kop rondfladderde, wat een bizar gezicht was.

Vader had een chauffeur die bij ritten ook optrad als beveiliger: een Ambonese soldaat, die de auto bestuurde, zo nodig als lijfwacht optrad en zorgde dat zijn uniformen elke dag gewassen en gesteven waren, koper en schoenen gepoetst.

Wij voelden ons thuis in de tropen: bedden met klamboe's over een frame, dat als een huisje aanvoelde, een badkamer met een waterbak waarvan je het water over je heen gooide. In de spen (bijkeuken) was een grote ijskast, die de ijsfabriek elke week met lange staven ijs in de bovenste lade vulde, die het eten koel hield. Er werd gekookt in de bijgebouwen, waar ook de kleding werd gewassen en een deel van het personeel sliep.

Straatventer op Madoera.(foto: © Cas Oorthuys / Nederlands Fotomuseum)

Regelmatig had vader gasten te eten, wat in Indië heel gebruikelijk was en ook in lijn met zijn functies van bataljonscommandant en eilandcommandant. Wij kinderen gingen dan vooreten of aten bij de baboes in de bijgebouwen. Daar werden we ook naar toe gestuurd als we slecht aten, want de baboes konden met eindeloos geduld het eten bij ons naar binnen lepelen. Er werd volgens de adat van Indische gastvrijheid ruim gekookt: de schalen mochten nooit helemaal leeg zijn en voor elke lege schaal werd weer een volle neergezet. Er bleef dan veel over en wij zagen dan arme dorpelingen in de schemering buiten de lichtcirkel van de voorgalerij hurken. Als de gasten voldoende gegeten hadden en een sigaret of sigaar hadden opgestoken, kregen deze hongerige Madoerezen van de baboes in een gevouwen palmblad het eten dat overgebleven was. Als deze mensen vertrokken, maakten ze een sembah (groet met gevouwen handen) naar de voorgalerij.

De alun-alun, het grote park voor ons huis, was elk jaar op de vaste datum het toneel van de kerapan sapi, het stierenrennen, waarbij versierde stieren twee aan twee met een juk vastzaten aan wat op een ploeg leek, waarop de jockey stond en de dieren bij de staarten bijstuurde. Nog steeds worden die races gehouden. Ook was er elk jaar een Indische kermis, met een werptent waar je ringen om de halzen van een groepje ganzen moest werpen, een spooktent, tentjes met snoep en eten, van alles wat.

Daar, op de alun-alun werden ook militaire parades en plechtigheden gehouden waarvan de KNIL-fotodienst opnamen maakte. Vader kwam daar prominent op voor, evenals de wali negara, de resident R.A.A. Tjakraningrat, en andere Indische hoogwaardigheidsbekleders en de Nederlandse bestuurder. Een bijzondere plaats daarbij had zijn plaatsvervangend commandant, kapitein Zijlmans, Ridder MWO4, na de oorlog geridderd vanwege zijn dapperheden in de gevechten tegen de Japanners. Daarbij was soms de Nederlandse troepencommandant in Oost-Java, genm J.A. Scheffelaar aanwezig. Vader was ook aanwezig bij de grote parade op 31 augustus 1948 in Soerabaja en hij had zijn gezin meegenomen. Wij zagen daar de legercommandant lgen Spoor, die ons speciaal door vader werd aangeduid. Op vrijdag 21 oktober 1949 was er een militaire plechtigheid op de alun-alun: twee officieren werden beëdigd, onderluitenant J. C. van Hall kreeg de eremedaille in goud behorend bij de Orde van Oranje-Nassau opgespeld door overste de Jongh Swemer. De vaandrigs J.J. den Hamer en J. Huivenaar werden ook door hem beëdigd. Wali negara R.A.A. Tjakraningrat, verscheidene departementshoofden en de regenten van Bangkalan, Soemenep en Sampang en hoofd-politiezaken waren daarbij ook aanwezig.

We raakten bevriend met verschillende Nederlandse families. KNIL-officieren, zoals majoor Nieuwenhuis, die er met hun gezin woonden. Hij was van 1 januari 1948 tot 18 januari 1949 commandant van het 4e Bataljon Garderegiment Jagers. Ook andere officieren en hun gezinnen kwamen op bezoek of wij bij hen. De ouders praatten met elkaar en wij speelden met de kinderen. Wat me bijbleef was een woord dat ik telkens hoorde: backpay, het eerste Engelse woord dat ik leerde. Pas veel later in Holland leerde ik dat dit het streven was van de KNIL-militairen om hun wedde over de oorlogsjaren betaald te krijgen evenals de Nederlandse landmacht-militairen.

Onze regering had echter met de overdracht van het KNIL aan de regering van de jonge republiek Indonesië niet alleen alle materieel overgedragen, maar ook de verantwoordelijkheid voor backpay, nota bene over de periode voor het ontstaan van de republiek. Dat is dus nooit geschied, wat voor de beroepsofficieren des te schrijnender was omdat hun KMA-collega's wel over de oorlogsjaren uitbetaald kregen en voor hen ook de pensioenjaren meetelden.

Er waren in de beginperiode geen lagere scholen: moeder liet schoolboeken overkomen uit Holland en probeerde ons les te geven. Nu was ze een uitstekende tandarts maar voor lesgeven had ze geen aanleg: ze kon de aandacht van twee beweeglijke avontuurlijke jongetjes niet vasthouden. Er kwam gelukkig een oplossing: Mevrouw Samartini van de familie die aan de andere kant van de klappertuin (kokosplantage) woonde, had een dochtertje Cora van onze leeftijd aan wie ze les gaf. Ze was bereid ook aan ons vier ochtenden in de week les te geven. In rustiger perioden gingen we wel eens picknicken in de natuur langs de weg naar Kamal. In de weekends ging de familie naar leuke strandjes met watervallen en riviertjes. Cora Samartini mocht dan met ons mee. Na schooltijd bleven we vaak nog met haar spelen: ons eerste vriendinnetje, want er waren nauwelijks Hollandse families met kinderen van onze leeftijd.

In de loop van 1949 kwam er eindelijk een Hollands-Chinees schooltje, waar we in een klas les kregen. De Madoerezen durfden hun kinderen niet naar dat schooltje te sturen, bang voor represailles van Javaanse nationalisten. De mogelijkheden voor geneeskundige verzorging waren beperkt. De AAT had niet voldoende transporteenheden op het eiland om de inzet van een hulp verband afdeling (HUPVA), vergelijkbaar met een verbandplaatspeloton van een bevoorradingscompagnie, te rechtvaardigen. Er was wel een dokter en ook een aantal verpleegsters, maar toen Onno zijn onderarm brak tijdens onze spelletjes in een van de leegstaande huizen, moest hij met gespalkte arm met de pont naar Soerabaja naar het militair hospitaal daar, waar de arm gezet en in gips gezet werd. Hij lag op zaal tussen de gewonde Nederlandse militairen voor wie het heel bijzonder was een Hollands jongetje tussen hen aan te treffen. Daar zag hij ‘rode’ Rudy, een Gardejager die met zijn collega's naast ons woonde, weer terug. Hij had zijn hoofd in verband omdat hij tijdens een actie gewond was geraakt door een granaatscherf. Na een weekje werd Onno weer door vader opgehaald met de Dodge. Een maand later in moesten mijn ouders zelf het gips openknippen na telefonisch overleg met de militaire arts. Moeder had last van galaanvallen en in december 1948 moest ze voor een galblaasoperatie worden opgenomen: destijds een zware ingreep die op Madoera niet mogelijk was. Ze werd overgebracht naar hetzelfde militaire hospitaal in Soerabaja. De familie Samartini zorgde voor Frankje; Onno en Maarten werden, als vader in de tangsi was, door de bedienden verzorgd.

Militaire plechtigheid op de alun-alun (alle foto’s van de auteur, tenzij anders aangegeven)

De bataljonscommandant en de wali negara bereiden de overgang voor

Begin december 1949 kwamen duidelijke instructies van het hoofdkwartier in Batavia, dat vader in nauw overleg met de wali negara moest streven naar een benoeming van Madoerese officieren als nieuwe commandant en plaatsvervanger bij de overgang naar de Republiek Indonesië. Deze waren opgeleid aan het Opleidingscentrum Officieren in Bandung, dat zou goed zijn voor het vertrouwen van de nationalistische militie vrijwilligers en bijdragen aan de orde en rust op het eiland. Vaders charisma en kennis van de taal en de adat vergemakkelijkten het verkrijgen van het vertrouwen van de wali negara R.A.A. Tjakraningrad. Hij stond in deze periode tussen twee vuren: het belang van Madoera en de Madoerezen behartigen en tegelijk het vertrouwen van de nieuwe machthebbers van de Republiek Indonesië winnen. Na het nodige overleg tussen vader en de wali negara enerzijds en vader en de KNIL-leiding in Soerabaja anderzijds, werden twee Madoerese luitenants voorbereid op een benoeming en promotie: eerst tot kapitein en later tot overste en majoor. In goed overleg werden de commandanten van de vijf compagnieën aangewezen, alleen de eerste compagnie had een plaatsvervangend commandant.

Vader moest streven naar een benoeming van Madoerese officieren

In deze periode stond ook de opheffing van het KNIL voor de deur en de militairen konden kiezen tussen de overgang naar de strijdkrachten van de Republik Indonesia Serikat, overgang naar de KL met mogelijk een demotie of ontslag uit de militaire dienst. In april 1950 werd een rondschrijven van het Ministerie voor Uniezaken en Overzeese Rijksdelen, Afdeling Militair Personeel gestuurd naar alle KNIL-militairen. Daarin werden de bepalingen bij de overgang van KNIL naar APRIS verduidelijkt van Indonesische zijde. Dit was vervat in een noodwet die was ondertekend door Soekarno en vertaald in het Nederlands. Van de Nederlandse zijde was de ondertekening door de Staatssecretaris van Oorlog. KNIL-personeel kon met behoud van rang een contract van drie jaar krijgen: dat werd opgenomen in het ministerieel rondschrijven en bekendgemaakt bij alle KNIL-militairen. Veel militairen met Molukse en Madoerese achtergrond twijfelden aanvankelijk aan de overgang naar het Indonesische leger (TNI) omdat ze niet zeker waren of ze wel op Madoera mochten blijven. In de eindfase van het KNIL kozen 30.000 man voor de overgang naar de Indonesische kant, waardoor 100.000 Javaanse vrijwilligers huiswaarts werden gezonden. Vader kreeg een kolonelsfunctie aangeboden als hij naar de TNI zou overgaan. Het was echter duidelijk dat langer blijven in de jonge Republiek Indonesië een onzekere omgeving zou betekenen voor de opvoeding van drie zoons. Daarom koos Han de minst ongunstige van de opties, overgang naar de Nederlandse Koninklijke Landmacht, waardoor hij werd teruggezet in rang tot majoor.

Een onzekere tijd begint

De opheffing van het KNIL en het naderende vertrek van de Nederlandse troepen uit de nieuwe republiek werd tastbaar door aanwijzingen van de Nederlandse troepencommandant Oost-Java, om de ‘gecontroleerde goederen’, voertuigen en wapens te inventariseren en te registreren voor overdracht aan de APRIS. Voor 7 januari 1948 moest de opgave bij de Adjudant Kwartiermeester worden ingediend. Ook werd een lijst van personeel opgemaakt per rang, per kantonnement en kampement, verdeeld in Nederlandse en Indonesische militairen. In deze periode, waarin er nauwelijks buiten de tangsi werd opgetreden, lagen verslapping van discipline en tropenhygiëne op de loer. Daarom werden dwingende orders verstrekt aan de ondercommandanten om de troep actief en alert te houden.

De wapens werden tot de overdracht op enkele punten veilig opgeslagen maar in feite werden daardoor de tjakra's (Madoerese militie-vrijwilligers) ontwapend. Voor hen werd een veiliger tijdelijk onderkomen gevonden in gebouwen en barakken van het zoutwinningsbedrijf te Kalianget op basis van een overeenkomst tussen vader en het hoofd van de zoutwinning, J.S. Friederich. Veel van de tjakra's (circa 550 van de ongeveer 800 man) kozen voor het APRIS-leger onder Republikeins gezag: voor deze hulpkorpsen bestonden geen sociale regelingen, die er wel waren voor de KNIL-militairen. In deze onzekere overgangstijd zag vader aankomen dat hij op een gegeven moment niet meer zou kunnen instaan voor de veiligheid van zijn gezin. Hij stuurde ons daarom op 19 januari 1950 met de ss Dorsetshire, een schip gechartered van de Britten, terug naar Holland waar we in februari aankwamen.

De ss Dorsetshire (foto: Wikimedia Commons)

Overdracht van gezag en militie aan Java

Intussen gingen de activiteiten die moesten leiden naar de overdracht van Madoera en het bataljon voort en om op de hoogte te blijven van de situatie bij de ondercommando's buitenposten ging een contactcommissie onder leiding van vader op ronde. Van de nieuwe organisatie waren aanwezig maj Mochtar, kap Ino Kartapati, kap Sapia en de heer Suleika. Begin februari 1950 was het territoriaal commando over Madoera overgegaan naar majoor Slamet Ali Junus die in overleg met vader een systeem had ontwikkeld om passen te verstrekken aan KNIL-, KL- en marinepersoneel om alleen of in convooien veilig buiten hun standplaatsen te reizen en controleposten van het territoriaal commando te kunnen passeren. Op 5 april 1950 ging een bataljon tjakra's te Sumenep op Madoera over naar de APRIS. De Nederlandse troepencommandant in Oost-Java, genm J.A. Scheffelaar stelde de 710 man onder commando van de militaire Gouverneur van Oost-Java, kol Sungkono. Genm Scheffelaar hield een passende toespraak. Vader vertrok uiteindelijk pas op 5 juni 1950 met het ms Empire Brent naar Holland terug. Zijn geboorteland heeft hij nooit meer teruggezien. Onno en ik wel.

Een weerzien met Madoera

Mijn broer Onno was in 1990 op zijn reis naar de plaatsen van zijn jeugd, op zijn reisgedeelte door Java, aangekomen in Soerabaja. Er was een veerdienst in bedrijf tussen naar Kamal op Madoera. Straat Madoera was ontdaan van alle scheepswrakken en er was nu gewoon scheepvaartverkeer. Zoals overal in de archipel voeren er ook kleine vissersprauwen die waren beschilderd met een oog op de boeg en een zeil en vlerken met drijvers aan beide zijden op het water. Met een bus reed hij de bekende route langs een verwaarloosd overgroeid spoorlijntje langs het bos dat hij zich nog van het schietincident herinnerde, naar Bangkalan waar ons gezin zo fijn had gewoond. Er was nauwelijks toerisme en er was niet veel veranderd aan de alun-alun waar ons huis aan lag. Alleen stond er nu aan de korte zijde een enorme moskee. De meeste vrouwen liepen hier rond met hoofddoeken en gekleed volgens islamitische voorschriften. Sarong en kebaja waren nauwelijks meer in het straatbeeld. Het eiland was duidelijk islamitischer geworden en er waren zelfs posters van Saddam Hoessein, het geweer in de hand en de kolf op de heup gehangen. Ons huis van vroeger stond er nog, in een rijtje van mooie vrijstaande goed onderhouden woningen met puntige rode pannendaken. Hij wandelde de oprit op en werd meteen aangehouden door een bewaker, die hem zei na het middagdutje van de commandant die daar woonde, nog eens langs te komen. De bewaker, eerst nog in kaki shirt en sarong, was nu in uniform gekleed. Hij liet kortaf weten, dat de commandant geen behoefte had hem te spreken en ook mocht hij het huis niet in.

Het familiehuis

Op de bovenste foto: de tangsi in 1999 Foto onder: de alun-alun in 1999

Terug naar Madoera

In maart en april 1999 maakten mijn echtgenote Trudy en ik, samen met nog twee echtparen met Indische roots, een herinneringsreis door Java en Bali. Telkens verbleven we ergens waar een van de stellen ons rondleidde en vertelde van hun leven destijds op Java. Op mijn voorstel werd een shopping day in Soerabaja omgezet in een dagtrip naar Madoera. Van diverse bladzijden van ons Indische familiefotoalbum had ik fotokopieën gemaakt waarmee ik het gezelschap op mijn beurt wat kon vertellen over mijn jeugdherinneringen. In de ochtend van woensdag 19 april gingen we op de pont die ons naar Kamal overbracht.

Een asfaltweg leidde naar Bangkalan. De bosschages links van de weg waren vrijwel helemaal verdwenen en ook van het spoorlijntje was niets meer te zien; rechts keken we uit over uitgestrekte sawah's. In mijn herinnering rook ik nog de geur van openspringende kapok peulen aan de bomen langs de weg. In Bangkalan reden we om de alun-alun, waar nog steeds stierenrennen jaarlijks worden gehouden en waar de pasar malam die dan wordt gehouden de belangrijkste trekpleister van het eiland is. Ons busje stopte bij de tangsi waar de wacht die Hollanders met enig argwaan bekeek. Onze Indo-gids, Ron Pikal, die zijn Nederlanderschap had verruild voor het Indonesische staatsburgerschap, ging met mij naar de wacht en meteen kwam de wachtcommandant. Ron vertelde dat ik een kolonel was van het Nederlandse leger en dat mijn vader de laatste commandant van Madoera was geweest en vroeg of we de commandant mochten spreken. Dat werd toegestaan en even later liepen we door de tangsi, begeleid door de sergeant van de wacht.

Trudy en ik werden toegelaten bij de commandant in zijn ruime bureau. Er was een bezoeker aanwezig, die ook wel interesse had in die Hollanders. Ik toonde hen de foto's uit de 1948-1950 periode met diverse militaire parades en wees aan wie mijn vader was. De commandant was meteen vol interesse want hij herkende de wali negara. Ook zijn gast was vol belangstelling voor de foto's van toen. Nu hield ik even de adem in: hoe zouden deze Indonesiërs terugkijken naar die periode van dekolonisatie, tegenover de laatste Nederlandse commandant en de wali negara? Gelukkig bleek meteen, dat ook van de Indonesische kant deze charismatische R.A.A. Tjakraningrad de overgang goed had begeleid.

De commandant stond op en vroeg of ik de volgende dag met hem en zijn gast, die de civiele bestuursambtenaar van Madoera bleek te zijn, een krans wilde leggen op het eregraf van de wali negara in Soemenep, de hoofdstad van Madoera. Ik blikte even naar Ron, die de ogen neersloeg en ik begreep het. Met vele excuses maakte ik met hulp van Ron als tolk duidelijk dat dit een grote eer zou zijn, maar dat we helaas met een groep in een strak reisschema zaten. Ron lichtte dat nog verder toe. Ter herinnering en als dank gaf ik de commandant de bladen met foto's van toen. De bezoeker vertelde ons dat hij het huis waar wij hadden gewoond, nu door hem werd bewoond. We mochten met hem mee om zijn huis te zien. Zo volgden we hem in de hete tropenzon. Hij liet me toe foto's maken van de buitenkant. De voorkant, de achterkant met tuin en de rij schuurtjes, de goedangs, het was nog onveranderd en alles was in perfecte staat van onderhoud. Naar binnen mochten we niet maar ik was allang blij dat ik zoveel mocht zien. Vol emoties dankte ik de bestuurder en nam afscheid van hem en de commandant. De hele weg terug naar Kamal en naar Soerabaja was ik vol herinneringen en emoties die ik met het gezelschap deelde. Het was heerlijk om in het winkelcentrum in Soerabaja af te koelen en een ijsje in Zangrandi besloot deze onvergetelijke dag: terug naar Madoera.

Literatuuropgave

TROPENJONGEN, door Sanatan de Jongh Swemer (mijn broer Onno); een autobiografische roman over onze kamptijd op Ambon en Celebes en ons verblijf op Madoera, uitgegeven door Artscience, onderdeel van de boeken coöperatie; rechten berusten bij de uitgever, boekencoop@gmail.com. ISBN 9789492079367. NUR 301 (roman).

OOST-JAVA, Gedenkboek der 4e Infanterie-brigade, uitgegeven door drukkerij Henri Bergmans NV, Tilburg 1950, p. 301-388. Het is aanwezig bij Historische Collectie Regiment Bevoorradings- en Transporttroepen, Kamp Soesterberg.

OPERATIES IN DE OOST, De Koninklijke Marine in de Indische Archipel (1945-1951), door R.E. dan Horst Pellekaan en I.C. de Regt (2003), uitgeverij De Bataafsche Leeuw; p. 16-92, 244-358.

Archiefdoos 31/32 AAT compagnie, deel van archief Bureau Geschiedschrijving Regiment Bevoorradings- en Transporttroepen (B&T), op locatie Stichting Historische Collectie B&T, Soesterberg, Zeisterspoor 8. E-mail: info&museumbevoentransport.nl.

Rapport betreffende Operatie Overval (ZG), Archiefstuk CAD: HKGS-NOI 1947, GG3, bundel 58 Rapport betreffende de bezetting van Madoera (ZE, Zeer veel spoed), dd 24 okt 1947, get. lgen S.H. Spoor, legerkommandant met aangehecht: Rest Operatie Sprinkhaan (ZG) ddd 25 okt 1947. Archiefstuk CAD: HKGS-NOI, 1947, GG3, bundel 58; Organisatie Korps TJAKRA ss 2 aug 1947 (Geh). Archiefstuk CAD: HKGS-NOI, 1947, GG 18, bundel 5264.

Een goed overzicht van de naoorlogse bersiap in Nederlands-Indië en de contraterreur is te vinden in: Kapitein Raymond Westerling en de Zuid-Celebes affaire (1946-1947) - mythe en werkelijkheid; een markante periode uit de geschiedenis van Nederlands-Indië. Door Bauke Geersing, uitgeverij Aspekt, ISBN 978-94-6338-765-1; email: info@uitgeverijaspect.nl. NUR 680.