Juridische zaken

door: Onno Borgeld

Juridische Dienstverlening = ‘Wij van Wc-eend adviseren Wc-eend.’

Als een militair een rechtspositionele zaak aanspant tegen Defensie wordt deze zaak door Juridische Dienstverlening (JDV) behandeld. Dit onderdeel van Defensie is aangewezen om de bezwaren van medewerkers en schadeklachten van externen af te handelen. Daar is op zich niets mis mee. Mijn ervaring met vele procedures van defensiemedewerkers heeft mij echter de overtuiging gegeven dat dit een noodzakelijk onderdeel is om bij de Rechtbank terecht te kunnen komen en niet een stap is om tot een oplossing te komen van het probleem van klaagster (1). Tenzij het absoluut niet anders kan zal JDV het besluit van Defensie bevestigen en de klaagster opzadelen met de zorgen over een procedure bij de rechtbank. De medewerkers van JDV leven en werken in een juridische wereld, ze worden betaald door defensie. En mijn conclusie is helaas, wie betaalt bepaalt. Ik zal drie recente voorbeelden geven.

Er is een eerste luitenant, die de lange opleiding bij de NLDA heeft doorlopen. Zij heeft na deze opleiding ook nog een specialistische vakopleiding genoten. Recentelijk kon zij solliciteren naar een functie met een hogere rang. Dat heeft zij gedaan en de keuze is niet op haar gevallen. Tijdens de bezwaarprocedure bleek dat zij toch de ‘meest geschikte’ kandidaat was geweest. Zij krijgt alsnog een gelijke gewenste functie. Echter, de datum van haar plaatsing wordt met terugwerkende kracht zo gekozen dat de ten onrechte geplaatste en bevorderde collega nog juist boven haar blijft staan in de namenlijst. In een specialistisch klein dienstvak zal dit in de toekomst opnieuw consequenties voor haar hebben.

Voorbeeld twee: een officier ziet kansen in de burgermaatschappij en hij wil daarom mogelijk Defensie voor het einde van zijn dienverplichting verlaten. Om een goede afweging te kunnen maken moet deze officier weten hoeveel hij zou moeten betalen als hij vervroegd vertrekt. DCHR wil deze informatie niet geven (bij een collega is dat een jaar geleden wel gedaan). Hij dient een bezwaar in en dit wordt door JDV niet-ontvankelijk verklaard: “want het besluit van DCHR was niet op een rechtsgevolg gericht maar op informatieverstrekking”.

Voorbeeld drie: Johanna de Witt heeft een bezwaarprocedure gevoerd. De commandant van haar school kon er, op advies van JDV, niet omheen om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren. Dit had tot gevolg dat zij een betaling van enkele honderden euro’s moest ontvangen. Na drie maanden wachten was het bedrag nog steeds niet betaald en Johanna de Witt heeft tegen de ‘weigering om te betalen’ weer een bezwaar ingediend. Ook nu weet JDV het weer zo uit te leggen dat het eigenlijk de schuld van Johanna was dat er niet was uitbetaald. Het bezwaar werd nietontvankelijk verklaard. De rechtbank mag er nu over gaan oordelen. Defensie vordert het tegoed de eerstkomende maand in. Maar betalen, dat mag maanden duren.

Uit alle drie deze zaken blijkt overduidelijk dat “Wij van WC-eend” het defensiebelang hoger achten dan het belang van de individuele militair. Het lijkt wel of JDV nog niet heeft gehoord of niet heeft willen horen: “Stel het personeel op één!”. Het belangrijkste uitgangspunt was en is “het besturen van de defensieorganisatie”. Het zijn dit soort gevallen die ervoor zorgen dat de leiding zo’n slechte naam heeft. Overigens: de militairen uit voorbeeld twee en drie hebben binnen een week na het bekendmaken van de beslissingen op bezwaar, beroep aangetekend bij de rechtbank.

(1) Als ik in dit stuk de vrouwelijke vorm gebruik bedoel ik daarmee ook de mannelijke en andersom.