Uit het overleg

2020: Het jaar van de waarheid

door Thijs van Leeuwen

Een nieuw jaar in een nieuw decennium. De feestdagen liggen weer ruim achter ons en zelfs alle nieuwjaarsrecepties zijn wel zo’n beetje voorbij. Op moment van schrijven is het ‘Blue Monday’, zogenaamd de meest deprimerende dag van het jaar. Ik moet zeggen dat ik daar persoonlijk niets van merk. Zittende in de trein naar Den Haag ben ik vol goede moed en arbeidszin. Ik kijk uit naar de arbeidsvoorwaardelijke stappen die we dit jaar gaan maken.

Dat we stappen zullen maken staat voor mij als een paal boven water. In 2020 liggen er immers voldoende grote onderwerpen op tafel. Zoals het verwezenlijken van een nieuw loongebouw, het versimpelen en verbeteren van de toelages en de invoering van een nieuw personeelssysteem. Én we gaan er natuurlijk vanuit dat we ook een nieuwe cao zullen sluiten, daar de huidige tot het einde van het jaar loopt. Al met al een mooi jaar vol significante uitdagingen!

Uitwerking van het vorige akkoord

In mijn laatste column van vorig jaar sprak ik de volgende zin uit: “In de eerste ProDef van volgend jaar hoop ik u te vertellen dat uw aanspraken geregeld zijn.” Ik ontkom er dan ook niet aan om u op de hoogte te brengen van de voortgang van deze, naar mijn mening, te lang slepende totstandkoming van aanspraken. Ik val maar met de deur in huis: het is nog steeds niet rond!


Zoals ik in december al schreef, lagen er nog een aantal inhoudelijke uitdagingen bij de uitwerking van de gemaakte afspraken. Hoewel alle partijen ten tijde van de onderhandelingen hun best hebben gedaan de afspraken zo helder en duidelijk mogelijk op papier te zetten, is alsnog gebleken dat er verschil van opvatting is over wat de woorden in het akkoord nu precies betekenen. Op enkele vlakken liggen niet alle centrales met elkaar op een lijn en op in ieder geval één vlak staan de centrales gezamenlijk lijnrecht tegenover de werkgever.


Voor de elementen die onder het eerste punt vallen, kan gelden dat deze, na het uitgebreid voeren van de discussie, alsnog worden afgedaan. Afspraken worden immers in beginsel bij meerderheid (werkgever met een meerderheid der centrales) gemaakt. Alhoewel unanieme instemming de voorkeur geniet, hoeft dit zeker niet altijd het geval te zijn. De werkgever zou kunnen beslissen dat er sprake is van een meerderheid en de afspraak als zodanig vastleggen en invoeren. Het echte punt van dispuut tussen werkgever en de centrales betreft echter de eenmalige uitkeringen van 300 euro, zijn deze pensioengevend of niet? Zoals ik in mijn artikel op de prodef.nl site heb toegelicht, zijn wij als centrale principieel van mening dat deze elementen pensioengevend moeten zijn. Dit is in lijn met hetgeen voor burgerambtenaren geregeld is. Omdat de werkgever hier niet in mee wilde gaan was dat voor ons dan ook reden om, gezamenlijk met de andere centrales, een formeel geschil aan te kaarten.


Nu kan ik mij voorstellen dat u zich afvraagt waarom een onderwerp als dit leidt tot een geschil. Wat maakt de pensioengevendheid van deze twee uitkeringen nu uiteindelijk uit? En wat betekent dit dan voor de onderhandelingen over andere (mogelijk veel belangrijkere) onderwerpen? Ik heb er begrip voor als u deze zorgen heeft en ik kan u vertellen dat wij er alles aan zullen doen om dit van minimale invloed te laten zijn op de overige onderhandelingen. De reden dat we hier toch een formeel punt van menen te moeten maken is dat het een principiële kwestie raakt. Vanuit de werkgever was er zware druk om militairen over te laten gaan van eindloon- naar middelloonpensioen. Onder de diverse argumenten was het ‘feit’ dat dit voor veel militairen tot een eerlijker pensioenopbouw zou leiden. Een voorwaarde voor de centrales om uiteindelijk met de regeling akkoord te gaan was dat de burgerregeling als uitgangspunt zou worden genomen. Alle inkomenselementen die voor burgers pensioengevend zijn, zouden ook voor militairen pensioengevend worden. Nu blijkt dat dit uitgangspunt door de werkgever niet wordt gehanteerd, zonder dat daarvoor steekhoudende argumenten worden aangedragen. Dat kunnen wij niet accepteren, vooral niet met oog op de toekomst. Wij willen nu duidelijk maken dat bij een gelijkvormige regeling, militairen en burgers gelijk behandeld moeten worden.


Het jaar dat voor ons ligt

Zoals gezegd liggen er dit jaar vele uitdagingen voor ons. Stuk voor stuk van grote invloed op uw waardering en beloning (loongebouw en toelages) en bepalend voor de manier waarop uw loopbaan binnen Defensie zal verlopen (personeelssysteem). Tot op heden hebben de diverse partijen los van elkaar plannen ontwikkeld en heeft met name de werkgever diverse werkgroepen en pilots opgezet. Verder hebben de partijen aan tafel met name tijd besteed aan een brede oriëntatie op beloningssystemen en verschillende mogelijkheden om functiewaardering toe te passen. Daarnaast is er een brede discussie gevoerd over welke elementen onderdeel zouden moeten uitmaken van de oplossing en welke uitgangspunten zouden moeten worden gehanteerd. Als CMHF hebben wij intern vrij concrete plannen ontwikkeld en deze getoetst bij u, onze achterban (zoals toegelicht in eerdere columns). Het lijkt erop dat deze oriënterende en beeldvormende fase nu teneinde loopt en dat wij nu concreet stappen kunnen gaan maken.

Kijkend naar het loongebouw is het voor ons in ieder geval cruciaal dat we beginnen bij een eerlijke functiewaardering. Een waardering die, in tegenstelling tot wat nu het geval is, recht doet aan de operationele werkelijkheid van de Krijgsmacht. Wij zijn van mening dat we de huidige waarderingssystematiek van FUWADEF, gericht op een beleid makende organisatie, in ieder geval voor het operationele deel van de Krijgsmacht moeten herzien. Pak nu eens een waarderingsmodel dat recht doet aan wat wij onder operationele omstandigheden van onze mensen vragen. Kijk hierbij ook nadrukkelijk naar deze operationele omstandigheden, in plaats van alleen naar de vredesbedrijfsvoering zoals dat nu gebeurt. Pas dan komen we tot een waardering die voor de operationele militair als terecht wordt ervaren. Daarnaast zien wij het als eerlijk en terecht dat wij de Bijzondere Positie van de Militair apart waarderen. Wanneer wij inzichtelijk maken welk regime van beperkingen en verplichtingen te allen tijde voor de militair geldt, en deze apart waarderen, maken we het verschil tussen militairen en burgers duidelijk, maar ook uitlegbaar. Als wij deze twee elementen weten te incorporeren in het nieuwe loongebouw dan zijn wij ervan overtuigd dat het zal lukken om een systeem neer te zetten dat recht doet aan de positie van de militair binnen de organisatie en dat hopelijk weer decennia kan dienen als basis voor onze beloning.


Kijkend naar de toelages en het personeelssysteem dan is de toekomst voor ons wat meer open. Op het vlak van toelages zien wij vooral een eerlijkere beloning naar werken tijdens oefening, varen en operationele inzet. Wat ons betreft worden militairen nu nog zwaar onderbetaald voor de vele uren die zij regelmatig maken en vormen deze werkzaamheden in belangrijke mate een verzwarend element van hun beroep. Wij zouden met name de toelages voor meerdaagse activiteit, varen en VVHO (missies) dan ook in een dergelijk kader willen beschouwen. Aangaande het personeelssysteem is het voor ons evident dat dit gericht zou moeten worden op behoud. Verleg de focus van werving en gestuurde geforceerde uitstroom naar behoud van personeel en het bieden van perspectief om ook elders tewerkgesteld te kunnen worden. Als je daarbij zorgt dat je goede afspraken maakt met andere overheidsdiensten en civiele partners over de uitwisseling van personeel, dan weet je voldoende trek in de schoorsteen te realiseren en je piramidale opbouw te verwezenlijken.


Zoals u ziet: er is genoeg te doen dit jaar. Ik ga er in ieder geval met veel zin en goede moed tegenaan. Ik hoop dat u mij hierin zult steunen. Samen maken wij de Defensie elke dag een stukje beter!