OPINIE - BINNENLAND

Macht, tegenmacht en onafhankelijkheid bij wetenschappelijk onderzoek

Na het dekolonisatieonderzoek 1945 - 1950, kondigt de regering vervolgens een onderzoek aan naar Afghanistan

BGEN B.D. J.L.R.M. VERMEULEN

Overheid en grote bedrijven, zoals Philips in de kwestie van de slaapapneu-apparaten, besteden (controle-)onderzoek ook uit aan onafhankelijke wetenschappelijke instituten, omdat eigen onderzoek al snel wordt aangemerkt als partijdig; de bekende slager die zijn eigen vlees keurt. Maar de volgende vraag is, of het gekozen instituut wel onpartijdig is en voldoet aan academische standaarden. Maar misschien is nog wel het meest belangrijke: welke opdracht geef je?

Tijdens de laatste en langstdurende kabinetsformatie ging het in wezen om de discussie over macht en tegenmacht. Men maakt in achterkamertjes (concreet: op maandag in overleg tussen de fractieleiders van de coalitiepartijen in de Tweede Kamer en de betrokken bewindslieden) afspraken die vervolgens op vrijdag tijdens het kabinetsoverleg worden vastgesteld en daarna in de Tweede Kamer daardoor niet meer tot een afwijzing kunnen leiden. In wezen het buitenspel zetten van tegenmacht. En het is terecht dat dit tot heftige discussies heeft geleid. Macht en tegenmacht moet je organiseren. Zij hebben elkaar nodig in een democratie. Mijn stelling is: ook voor het uitbesteden en uitvoeren van onafhankelijk wetenschappelijk onderzoek is ’macht en tegenmacht’ noodzakelijk. Dit moet je vooraf organiseren en achteraf als opdrachtgever controleren.

Op 23 en 30 mei jl. zijn door de Vaste Commissie voor Buitenlandse Zaken rondetafelgesprekken gehouden naar aanleiding van het dekolonisatieonderzoek 1945 – 1950, dat door drie gezamenlijk opererende onderzoeksinstituten NIOD, KITLV en NIMH is uitgevoerd. De toon werd meteen in het begin gezet door het Veteranenplatform (VP, lgen b.d. Hans van Griensven) en het Nederlands Veteraneninstituut (NLVI, bgen Paul Hoefsloot), hetgeen overigens naar mijn mening op een zeer genuanceerde wijze gebeurde. Ik heb persoonlijk een vijftal conclusies getrokken op grond van deze conferentie.

Ten eerste: De instituten hebben zich niet gehouden aan de afgesproken kaders voor het onderzoek, maar een eigen opdracht geformuleerd. Zij hebben daarmee bewust gekozen voor ’eigen richting’;

Over de grens, de resultaten van het dekolonisatieonderzoek (foto: Wikimedia Commons)

Ten tweede: Een lange reeks van vertegenwoordigers uit de Maatschappelijke Klankbordgroep (MKBG) kwam aan het woord. Zij hebben vijf jaar lang actief deelgenomen aan deze groep. De teneur was dat de instituten zich niets gelegen wilden laten liggen aan de mening van de leden van de klankbordgroep;

Ten derde: Over de inbreng van de Wetenschappelijke Advies Commissie (WAC) ontspon zich voor mijn ogen tijdens het rondetafelgesprek een discussie tussen lgen b.d. Mart de Kruif en twee onderzoekers, dr. Thijs Brocades Zaalberg en dr. Rémy Limpach. Ook hier was de moraal van het verhaal vanuit de onderzoekers: Wij weten wel beter. Laat dit nu juist gaan over de militaire aspecten van dit conflict. De negatieve emotie vanuit de onderzoekers over de stellingname van lgen de Kruif – ’het onderzoek was niet wetenschappelijk omdat de “waarom-vraag” niet gesteld werd’ – was zichtbaar en hoorbaar. Men had zijn mening daarom ook maar niet overgenomen, zoals gezegd, men wist wel beter!;

Ten vierde: Daarna kwam nog de presentatie van AURORE waarbij de fundamenten van de te hanteren academische normen van het onderzoek werden bekritiseerd. Hierbij werden ook de meningen van andere wetenschappers over het wetenschappelijk gehalte van de studie naar voren gebracht; verder werd het negeren van andere wetenschappelijke inzichten gememoreerd. Vanaf het begin van het onderzoek werd het inhoudelijke commentaar van AURORE al genegeerd, hetgeen in het verloop van de tijd daardoor tot (te) scherpe uiteenzettingen heeft geleid;

Ten vijfde: Als laatste kwam ook de rol van de communicatie door de minister-president expliciet aan de orde op grond van vragen van Kamerleden. In een premature reactie van de premier – het kabinet zou op een later tijdstip reageren nadat alle (nog te verschijnen) publicaties waren bestudeerd – liet een van de bewindslieden voor de zoveelste keer weer onze veteranen in de kou staan.

In de NRC van 5 juni jl. beklaagden drie onderzoekers, dr. Brocades Zaalberg, dr. Limpach en Esther Zwinkels MA onder de titel ’Veteranenorganisaties stellen eigenbelang boven waarheidsvinding’ zich over de opstelling van het VP en het NLVI. Maar bovenal kwam hier wederom hun frustratie aan de oppervlakte en hun mening dat zij gelijk hebben.

Wat zijn de lessons learned? Allereerst het organiseren van tegenspraak. Voor het dekolonisatieonderzoek 1945 – 1950 is een heldere opdracht gegeven. Deze is later aangepast. Hier begint het al te wringen. Er zijn terecht een MKBG en een WAC vooraf ingesteld. Er is vooraf afgesproken wanneer er door het kabinet gereageerd zou worden. De conclusie kan niet anders zijn dan dat tegenspraak vooraf goed was georganiseerd.

Maar nu de evaluatie. De rondetafelgesprekken op 23 en 30 mei jl. zijn een voorbeeld hoe een kritische Kamer feiten boven tafel haalt, zich een mening vormt en controleert; alle lof daarvoor. Tijdens de gesprekken werd echter duidelijk dat de tegenspraak door de onderzoeksinstituten volledig terzijde was geschoven. In de NRC kwam nogmaals de frustratie van de onderzoekers over die constatering naar voren.

Tegenspraak was door de onderzoeksinstituten terzijde geschoven

Conclusie: een goede uitvoering van tegenspraak. Maar de conclusie is vooral ook dat zogenaamde onafhankelijke en wetenschappelijke instituten helemaal niet onafhankelijk hoeven te zijn. Zij kunnen een eigen opvatting, een eigen richting willen uitdragen. En iedereen die een andere mening heeft, wordt aangevallen of reeds in een vroeg stadium genegeerd. Een sterke mate van autisme kan in elk geval deze instituten en deze onderzoekers niet ontzegd worden. Hier moest de wetenschap, de onafhankelijkheid een stap terug doen ten behoeve van hun politieke agenda. Bovendien kost dit ook nog veel geld, geld van belastingbetalers, u weet wel, uw en mijn geld.

Onlangs werd namens vier departementen een brief aan de Tweede Kamer gestuurd met de aankondiging van een onderzoek naar het optreden in Afghanistan. Twee van de drie eerder genoemde onderzoeksinstituten krijgen deze opdracht, namelijk het NIOD en het NIMH. In de brief krijgen de instituten de vrijheid om de opdracht aan te mogen passen. Zij mogen zelf de mensen in de wetenschappelijke adviescommissie kiezen. Datzelfde geldt voor de klankbordgroep. Bovendien wordt voor dit onderzoek even tien miljoen euro op tafel gelegd. Mijn conclusie: hier is effectief gelobbyd. Er is geen tegenspraak georganiseerd. Er is achteraf geen evaluatie meer mogelijk. Dit kan en mag de Tweede Kamer niet accepteren. Dit heeft niets meer van doen met een onafhankelijk en wetenschappelijk onderzoek. Dit lijkt structureel te zijn. Wellicht is het voor de duidelijkheid ook beter om ook hier de term macht en tegenmacht te gaan gebruiken, dan is het tenminste helder. De Kamer controleert ook deze instituten, gelukkig. Mijn persoonlijke noot: tijdens mijn actieve militaire diensttijd had ik goede ervaringen met het NIMH en bewaar ik hele mooie herinneringen aan diepgaande samenwerking met het instituut. Onze samenwerking heeft ons van de Grebberg naar o.a. het voormalige Oost-Duitsland en tot diep in Polen gebracht. Maar die samenwerking heeft ook wederzijds respect opgeleverd voor de kennis, kunde en professionaliteit die ieder op zijn gebied inbracht. Het waren Rémy Limpach en Thijs Brocades Zaalberg die de discussie met lgen b.d. Mart de Kruif aangingen. De heer Brocades Zaalberg die nog toevoegde: ‘Al hadden ze een miljoen man gehad…’. Wat bij mij uit deze discussie is blijven hangen, is het fundamentele gebrek aan respect voor de kennis en kunde van anderen. Er is geen respect voor andere benaderingswijzen, noch voor militaire professionals met hun militaire kennis, kunde en ervaring. In het NRC-artikel klinkt nogmaals de frustratie van de onderzoekers door: ik heb gelijk en jullie hebben allemaal ongelijk. Hier wordt noch de wetenschap, noch het NIMH, noch de veteranen, noch de krijgsmacht een dienst bewezen.