OPINIE - BUITENLAND

Ius in Bello

Humanitair oorlogsrecht

LKOL B.D. P. DEKKERS

Hugo de Groot, grondlegger van het huidige volkenrecht (foto: Wikimedia Commons)

Nu als gevolg van de door Rusland ontketende oorlog in Oekraïne de belangstelling voor oorlogsmisdaden en de vervolging ervan weer is toegenomen, lijkt het relevant om ons weer eens te verdiepen in het humanitair oorlogsrecht.

Al in de grijze oudheid was er sprake van een zekere vorm van oorlogsrecht, met bijvoorbeeld bepalingen dat er pas mocht worden begonnen na een oorlogsverklaring en dat de vijandelijkheden werden gestaakt als gevolg van een vredesverdrag. In de middeleeuwen werd in Europa de oorlogvoering aan regelgeving onderworpen door de invoering van het begrip ‘rechtvaardige oorlog’ door Thomas van Aquino. Ook raakte de religie aan de oorlogvoering toen bij het Concilie van Lateranen het gebruik van de kruisboog werd verboden. Ook deed de kerk een poging om de edelen in het gareel te houden. Door middel van het afleggen van een eed verplichtten deze zich te onthouden van geweld tegen bepaalde groepen mensen, zoals geestelijken, vrouwen, kinderen, kooplieden en boeren. Ook was het verboden om op bepaalde dagen in de week zijn conflicten uit te vechten. De kerk had in die tijd voldoende overwicht om de naleving van deze eed af te dwingen, immers bij verbreking van zijn eed wachtte de landheer een hels lot in het hiernamaals.

In ons eigen land was Hugo de Groot een voorvechter van de toepassing van verbindend recht op de oorlogvoering met zijn boek Over het recht van Oorlog en van Vrede. Hij is hierdoor de feitelijke grondlegger van het internationaal humanitair recht.

Solferino

Een paar kilometer ten zuiden van het Gardameer ligt het idyllische Italiaanse dorpje Solferino. Achter het fraaie plein en de historische gebouwen schuilt echter een bloedige geschiedenis. In 1859 werd hier tijdens de Tweede Italiaanse Onafhankelijkheidsoorlog de slag bij Solferino uitgevochten tussen de Fransen, de Oostenrijkers en de Italianen. De staat Italië bestond nog niet en de regio Mantova, waarin Solferino ligt, viel onder de heerschappij van de Oostenrijkse Habsburgers. Onder leiding van de latere Italiaanse koning Victor Emanuel II sloot zijn leger van Piemonte-Sardinië een alliantie met de Franse keizer Napoleon III, de Frans-Sardijnse alliantie.

Tijdens een negen uur durende veldslag op 24 juni 1859, waarbij meer dan 200.000 soldaten waren betrokken, versloegen de geallieerden het Oostenrijkse leger dat onder de persoonlijke leiding stond van keizer Franz Josef I. Deze veldslag, die later bekend geworden is als La Battaglia di San Solferino e San Martino, was een van de bloedigste tot die tijd. Na afloop lag het slagveld bezaaid met de lichamen van de duizenden doden en meer dan veertigduizend gewonden, die veelal aan hun lot waren overgelaten. Dat bracht de Zwitserse bankier en zakenman Henri Dunant ertoe een organisatie op te richten die, strikt neutraal van aard, in tijd van oorlog op het slagveld actief zou moeten zijn om de verzorging van de gewonden aan beide kanten op zich te nemen. Hij schreef een boek over de gruwelen die hij had gezien, Een Herinnering aan Solferino, waarin hij opriep tot de oprichting van een vrijwilligerskorps dat zich over de gewonden in de oorlog zou moeten ontfermen. Zijn droom werd werkelijkheid en al in 1863 werd het Rode Kruis opgericht en werden de eerste stappen gezet naar de Conventie van Genève.

De jonge Henri Dunant (foto: Wikimedia Commons)

Het leger van Napoleon III in de slag bij Solferino (foto: Wikimedia commons)

Conventies van Genève

In 1864 werd tussen zestien Europese landen de eerste versie van het verdrag gesloten dat bekend zou worden als de Conventie van Genève. Het verdrag zou moeten bijdragen aan het redden van de levens van de gewonden op het slagveld. Als ‘logo’ van de organisatie die dit op zich zou moeten nemen werd gekozen voor een omgekeerde versie van de Zwitserse vlag, een rood kruis op een witte achtergrond; vandaar de naam Rode Kruis. In 1906 en 1929 zagen een tweede en derde versie het licht, en uiteindelijk in 1949 volgde de nog steeds van kracht zijnde editie van het verdrag.

De tweede Geneefse conventie had ten doel een identiek verdrag tot stand te brengen, maar dan gericht op de maritieme oorlogvoering. Al vanaf 1868 waren er pogingen in die richting ondernomen, maar het zou nog tot 1949 duren voor de Tweede Conventie van Genève van kracht werd. De Derde Geneefse Conventie van 1949 gaat over de behandeling van krijgsgevangenen. De Vierde Conventie, eveneens van 1949, betreft de bescherming van burgers in oorlogstijd, in handen van de vijand of in een gebied dat bezet is door een vreemde mogendheid. De conventie trad in werking op 21 oktober 1950 en werd door 196 landen in de wereld geratificeerd. De laatste twee ondertekenaars, Zuid-Soedan en Palestina, deden dat in 2013-2014.

Bepalingen uit de Vierde Geneefse Conventie Burgers die niet aan de vijandelijkheden deelnemen hebben recht op bescherming tegen geweld, intimidatie, beledigingen en publieke vertoning. Zij moeten humaan behandeld worden en mogen niet gedwongen worden om informatie te verstrekken of als menselijk schild worden gebruikt. Vrouwen en kinderen genieten bijzondere bescherming volgens een speciaal artikel dat stelt dat zij niet mogen worden aangerand, verkracht of geprostitueerd. Andere artikelen gaan in op het recht op behoud van eer, familierechten, religie en gewoonten.

De afgevaardigden bij de Eerste Conventie van Genève (foto: Wikimedia Commons)

Humanitair Oorlogsrecht

Het humanitair oorlogsrecht of internationaal humanitair recht vindt zijn oorsprong in de Conventies van Genève en de Rode Kruis organisatie. Meer grondslagen zijn opgenomen in de aanvullende protocollen op de conventies. Het Rode Kruis spant zich in om tijdens oorlogen na te gaan of het humanitair oorlogsrecht wordt nageleefd, bijvoorbeeld of de behandeling van krijgsgevangenen in overeenstemming is met de verdragen waartoe alle landen ter wereld zich hebben verplicht. Zo worden door het Internationale Rode Kruis in oorlogstijd gevangengenomen militairen en burgers bezocht om vast te stellen of hun behandeling in overeenstemming is met het humanitair oorlogsrecht, zoals vastgelegd in de Geneefse conventies, aanvullende protocollen en andere verdragen. Indien er schendingen van het humanitair oorlogsrecht worden geconstateerd zal dit door het Rode Kruis worden gerapporteerd aan de autoriteiten in het land waar de schendingen werden geconstateerd en, als dat in het belang is van de slachtoffers, ook in de publiciteit gebracht. Het internationaal humanitair recht heeft alleen geldigheid als recht tijdens een gewapend conflict, dus tijdens een oorlog, vandaar de Latijnse uitdrukking Ius in Bello. Het maakt hierbij niet uit of de oorlog gerechtvaardigd is of niet. Het blijft ook van toepassing nadat een oorlog is beëindigd en de gevechten zijn gestaakt, of als de oorlogstoestand is veranderd in de bezetting van een van de oorlogvoerende landen.

De Haagse Conventies

De bronnen van het humanitair oorlogsrecht zijn niet alleen te vinden in de Conventies van Genève, maar ook elders, zoals het internationaal gewoonterecht, maar ook bij de Haagse vredesconferenties, waaruit het Haags Oorlogsrecht is voortgekomen.

Op initiatief van Tsaar Nicolaas II vond in 1899 de eerste Vredesconferentie plaats. De tsaar was namelijk bezorgd dat Rusland de wapenwedloop met Frankrijk en Engeland niet zou kunnen volhouden. Een vredesconferentie zou zijn land kunnen behoeden om vanaf een positie van achterstand in een oorlog verwikkeld te raken en bovendien zou een met een verdrag bekroonde conferentie hem veel aanzien in de wereld bezorgen als vredesapostel. Zijn adviseur, de rechtsgeleerde prof. Fyodor Martens, stelde voor om Den Haag als standplaats te kiezen voor de conferentie. Koningin Wilhelmina had haar paleis Huis ten Bosch ter beschikking gesteld en was erevoorzitter van de eerste conferentie. Deze zou moeten gaan over geschillenbeslechting, ontwapening en het reguleren van de oorlogvoering. Martens had een belangrijke inbreng, niet alleen in de keuze voor de standplaats en de te bespreken onderwerpen, maar ook inhoudelijk was zijn bijdrage van verstrekkend belang. In de zomer van 1899 verzamelden zich gedurende tien weken vertegenwoordigers van 26 landen. Op voorstel van prof. Martens werd een verklaring opgenomen dat, als het overeengekomen oorlogsrecht een bepaalde situatie niet zou dekken, men nog steeds zou worden beschermd door de beginselen van het volkenrecht. Deze bepaling, de Martens Clause, maakt nog steeds deel uit van het huidige oorlogsrecht.

De gemaakte afspraken werden vastgelegd in drie unanieme conventies en een drietal verklaringen die niet door alle vertegenwoordigde landen werden geratificeerd. Deze verklaringen bevatten de volgende verbodsbepalingen:

  • ‘…om uit ballons of op andere dergelijke nieuwe wijzen, projectielen en ontplofbare stoffen te werpen’;
  • ‘…tot het bezigen van projectielen welke uitsluitend strekken tot het verspreiden van verstikkenden of vergiftige gassen’;
  • ‘…tot het bezigen van kogels die in het menschelijk lichaam gemakkelijk zich uitzetten…’.

De verklaring omtrent de dumdumkogels werd afgewezen door Groot-Brittannië en de Verenigde Staten (VS) en de laatstgenoemde partij wilde ook niets weten van een verbod op bombardementen uit de lucht. Ondanks deze afwijzingen werd de conferentie toch als een succes beschouwd omdat de landen instemden met de invoering van vrijwillige arbitrage voor de beslechting van geschillen.

Het daartoe opgerichte Permanente Hof van Arbitrage werd gevestigd in het Vredespaleis in Den Haag. De eerstesteenlegging voor het Vredespaleis vond plaats bij het begin van de Tweede Haagse Vredesconferentie in 1907. Deze conferentie had ten doel de resultaten van de eerste conferentie nog eens te bevestigen en verder uit te breiden met nieuwe bepalingen. Het verdrag bestond uit dertien conventies, waarvan er twaalf werden geratificeerd. Zo werden er onder andere bepalingen vastgelegd over de vreedzame regeling van internationale geschillen, en werd er een reglement met wetten voor de oorlog te land, het Landoorlogreglement, vastgesteld. Ook kwamen er bepalingen over de beginselen van de oorlog ter zee, een verbod op zeemijnen, bepalingen over de omgang met een vijandelijke koopvaardijvloot en een verbod op de inzet van ‘handelsvaartuigen’ als oorlogsschepen. Een verdrag dat moest leiden tot een verbod om ‘projectielen en ontplofbare stoffen uit ballons te werpen’ haalde het wederom niet en bleef een niet-unaniem bekrachtigde verklaring. Desondanks heeft het internationaal recht sinds de vredesconferenties van 1899 en 1907 een grote vlucht genomen en heeft het toch veel invloed gehad op het gedrag van tal van staten.

Tijdens de Eerste Wereldoorlog (WO I) werden echter de zo goed bedoelde en door de betrokken landen bekrachtigde bepalingen, met uitzondering van het bepaalde over koopvaardijschepen, nauwelijks nageleefd. Dit illustreert direct de achilleshiel van dit soort conventies en verdragen. Tijdens oorlogen is het niet of nauwelijks mogelijk om de naleving van deze verdragen af te dwingen. Wanneer het staten zo uitkomt zullen zij zich zelden laten remmen door bepalingen uit een verdrag waar zij zich eerder toe verbonden hebben. Pas tientallen jaren later, na WO II, kwamen er meer machtsmiddelen om de navolging af te dwingen.

Tijdens oorlogen is naleving van verdragen nauwelijks af te dwingen

Het Vredespaleis in Den Haag (foto: Wikimedia Commons)

Vervolging van oorlogsmisdaden

Onder oorlogsmisdaden wordt verstaan de zwaarste schendingen van het internationaal humanitair recht. De eerste keer dat hiervan gesproken werd was tijdens het Tribunaal van Neurenberg na WO II. In de statuten van dit tribunaal, maar ook bij latere tribunalen, worden misdrijven beschreven die de gekwalificeerd worden als oorlogsmisdrijven. De volgende feiten werden beschouwd als oorlogsmisdaden:

  • opzettelijke doodslag van beschermde personen zoals burgers, gewonden en krijgsgevangenen;
  • foltering van beschermde personen;
  • het veroorzaken van ernstig lijden;
  • aanslagen op de burgerbevolking;
  • onwettige deportatie;
  • gebruik van verboden wapens.

Nadien werden nog meerdere tribunalen en gerechtshoven opgetuigd om oorlogsmisdrijven te onderzoeken en de daders te berechten. Enkele voorbeelden van een conflict en het daarmee verband houdende tribunaal met de naam van het land waar dat zich afspeelde, zijn: Cambodja, Oost-Timor, Rwanda, Sierra Leone. Maar het meest recente, en in het oog springende tribunaal is natuurlijk Joegoslaviëtribunaal, voluit geheten International Criminal Tribunal for the former Yugoslavia (ICTY). Dit tribunaal werd opgericht voor de vervolging van personen, verdacht van oorlogsmisdrijven in voormalig Joegoslavië. Na een aantal mindere ‘goden’ kwamen hier uiteindelijk ook de kopstukken van het Joegoslavische drama, Milosevic, Mladic en Karadzic terecht. Dit tribunaal werd in 2010 opgevolgd door het Internationaal Restmechanisme voor Straftribunalen dat vanaf 2013 de taken van het ICTY heeft overgenomen.

De rol van Rusland

Nu meer dan een eeuw verstreken is sinds de Haagse vredesconferenties is de wereld, en met name Rusland, ingrijpend veranderd. Van het vredelievende initiatief van Tsaar Nicolaas II is door toedoen van zijn opvolger, de huidige Russische heerser Vladimir Poetin, niets meer overgebleven. Na WO II verwierf Rusland als een van de overwinnaars van de oorlog een permanente zetel in de VN Veiligheidsraad. Door deze erkenning van zijn status als wereldmacht heeft het land veel invloed verworven en spreidt het zijn eigen interpretatie van internationaal recht ten toon. Het kan alle pogingen van andere staten om geschillen te beslechten, als het Rusland zo beter uitkomt, door gebruikmaking van zijn vetorecht torpederen. Rusland, of liever gezegd het Kremlin, heeft zich tot voor kort altijd terughoudend opgesteld als het ging om interventies in andere landen om daar de bevolking te beschermen tegen de gruwelijkste wandaden van haar eigen overheid. De westerse wereld is echter van mening dat in een dergelijk geval ingrijpen door de internationale gemeenschap wel gerechtvaardigd is, getuige de Responsibility to Protect [1] doctrine die in 2005 door alle lidstaten van de VN werd aanvaard.

De Algemene Vergadering van de VN in 2005, hier werd de doctrine Responsibility to Protect aanvaard (foto: Wikimedia commons)

De vraag rijst wat de Russische drijfveer is achter deze halsstarrigheid. Mogelijk speelt hier de angst bij Rusland voor een inval in het eigen land een rol, met daarbij in het achterhoofd de gevallen van regime change door toedoen van het Westen in Irak en Libië. Moskou is niet gediend van een dergelijk ingrijpen in een ander land. Een duidelijk bewijs hiervoor is de nietsontziende steun van Rusland aan de Syrische president Assad, die naar alle waarschijnlijkheid zonder hulp uit Moskou al lang van het toneel verdwenen zou zijn.

Rusland, of liever de Russische machthebbers, zien het land na de implosie van de Sovjet-Unie, teruggekeerd als een wereldmacht waarmee terdege rekening moet worden gehouden. Met betrekking tot het internationale recht interpreteert het Kremlin de bepalingen zo ruim mogelijk en probeert alle ontsporingen met list en leugens te verdoezelen, alles voor het eigen belang. Het heeft de jurisdictie van het Internationaal Strafhof niet erkend. Ook intern, in de relatie tussen de staat en de burgers, heeft Rusland weinig op met mensenrechten. Het is triest te constateren dat er in Rusland door de opvolgers van de Tsaar, een van de initiatienemer van de huidige internationale wetten en verdragen, zo achteloos wordt omgesprongen met het internationaal recht, dat het alleen ten eigen bate wordt aangewend.

Eindnoot

  1. In paragraphs 138 and 139 of the 2005 World Summit Outcome Document (A/RES/60/1) Heads of State and Government affirmed their responsibility to protect their own populations from genocide, war crimes, ethnic cleansing and crimes against humanity and accepted a collective responsibility to encourage and help each other uphold this commitment. They also declared their preparedness to take timely and decisive action, in accordance with the United Nations Charter and in cooperation with relevant regional organizations, when national authorities manifestly fail to protect their populations.