OPINIE - BINNENLAND

Onze pensioenen

maj b.d. B van Huet

Omdat hun pensioen voor vele mensen een zaak van levensbelang is, vind ik dat er met de voorlichting heel zorgvuldig en correct moet worden omgesprongen. In de media wordt echter hoofdzakelijk de voorlichting van de overheid weergegeven.
Er zijn in de pensioendiscussie een aantal zaken, waar verschillend over wordt gedacht. De materie zou erg complex zijn, er is geen ruimte voor indexatie en als we niet korten zijn de jongeren de dupe. Ik ben van mening, dat er iets heel anders aan de hand is. Het vermogen van de pensioenfondsen gaat namelijk aangewend worden om de energietransitie en het klimaatbeleid te financieren. Op zich is dat een goed idee, alleen gaat dat onder valse voorwendsels en ten koste van de pensioendeelnemers. Ik wil het hier niet hebben over de AOW, want dat is een omslagsysteem (de jongeren betalen voor de ouderen) en deze voorziening is een verantwoordelijkheid van de overheid. Wel staat vast dat er bij de vaststelling van de AOW-premie nooit rekening is gehouden met een tegenvallende economie, zoals tijdens de crises, een extreem lage rentevoet en maatschappelijke veranderingen.


De aanvullende pensioenen daarentegen, vallen onder zelfstandige pensioenfondsen en het beleid is een aangelegenheid tussen de sociale partners, dus de werkgevers en de werknemers. Iedere deelnemer betaalt een verplichte premie en dit uitgestelde loon wordt op zekere leeftijd, nadat het collectief is belegd en rendement heeft opgeleverd, weer aan de deelnemers uitgekeerd. Het is dus een misvatting om te denken dat het geld wat er nu in de pot zit, bestemd is voor de toekomstige deelnemers. Deze betalen op hun beurt namelijk ook weer premie en verdienen daarmee hun eigen uitkering. Het Nederlandse pensioenstelsel behoort tot een van de beste en rijkste ter wereld. Het vermogen van circa 1500 miljard euro is meer dan het dubbele van het jaarlijkse bruto nationaal product (bnp) van Nederland.
We zitten momenteel in een situatie waarbij de babyboom generatie al voor een groot deel met pensioen is. Je zou verwachten dat er daardoor minder mensen premie betalen. Door de inkomensverbetering zien we echter dat er ongeveer net zoveel geld aan premie binnenkomt als er wordt uitgekeerd. Het opgebouwde vermogen blijft daardoor grotendeels intact en groeit alleen maar verder. Dit betekent dat, zelfs al zou er in de toekomst totaal geen winst mee worden gemaakt en alleen premies worden afgedragen, de pensioendeelnemer met dit vermogen nog honderd jaar vooruit kan. Er zit dus een gigantische berg met geld in de pot, die wordt belegd in aandelen, obligaties en vastgoed. Dit vermogen wordt natuurlijk met begerige ogen gezien door onze overheid en de EU. Om te begrijpen wat er is gebeurd, moeten we even terug in de tijd. Ik neem daarbij het ABP, het grootste pensioenfonds, als voorbeeld.


Toen het ABP werd opgericht, werd het beheerd door de overheid. Het vermogen werd voor een groot deel uitgegeven aan Nederlandse staatsobligaties (langetermijnleningen). Er werden door de overheid, met name de drie kabinetten Lubbers en het eerste kabinet- Kok, echter jarenlang praktisch geen werkgeversaandeel van de pensioenpremies afgedragen. Dit werd later bevestigd door het 'Onderzoek van Kenmer'. De Rekenkamer becijferde dat er bij het ABP in de jaren negentig nogmaals voor 32,96 miljard gulden uit de pot werd gehaald d.m.v. de 'Uitname Wetten'. Prestigeprojecten, zoals de Betuwelijn, konden ermee worden gefinancierd. Tegen deze manier van handelen hebben destijds het ABP, de Verzekeringskamer en de Raad van State bezwaar aangetekend. Desondanks heeft de overheid hiervan kunnen profiteren en daarmee te gunstige en/ of sluitende begrotingen gepresenteerd. Het in de loop van de tijd door de overheid te weinig betaalde geld aan het ABP, wordt momenteel geschat op momenteel zo'n zestig miljard Euro. Omdat de overheid voorzag dat er onvoldoende geld zou zijn om in de toekomst premies uit te keren, werd het ABP in 1996 een zelfstandige onafhankelijke stichting gemaakt. De vakbonden werden door de overheid en werkgeversorganisaties 'gemasseerd' en het te weinig betaalde geld werd nooit terugbetaald. Door meer te beleggingen in aandelen heeft het ABP sindsdien het vermogen weer gestaag zien groeien. Ondanks de crisisjaren is het bedrag zelfs verdubbeld. Toen het in 2009 minder goed ging met het ABP, werd deze gelegenheid meteen aangegrepen en middels de pensioenwet werd het fonds gedwongen om een vijfjarig herstelplan in te dienen. Tegelijkertijd besloot de overheid om de pensioenwet te gaan veranderen. In 2010 werden voor de aanvullende pensioenen de commissie Frijns voor het beleggingsbeleid en risicobeheer en de Commissie Goudswaard voor de toekomstbestendigheid in het leven geroepen. Omdat de overheid gedurende de crisisjaren krap bij kas zat, kwam het CBS met een vernieuwde prognose voor de levensduur, wat sinds 1919 niet meer was gebeurd. Verder is in 2014 de ‘Wet verlaging maximumopbouw- en premiepercentages pensioen en maximering pensioengevend inkomen’ (Witteveen, 2015) van kracht geworden. Lagere premies werden voor de pensioenfondsen dwingend opgelegd. Dat scheelde de overheid, als grootste werkgever, eenmalig bijna drie miljard en jaarlijks nog eens een kleine twee miljard Euro. Het is merkwaardig dat, voorafgaande aan de stemming door de Kamer over deze wet, de rekenrente in 2014 door DNB tijdelijk werd verhoogd terwijl de ECB-rente in die periode juist daalde. De pensioenfondsen zagen er daardoor allemaal heel florissant uit. De premieverlaging werd dus aangenomen. Een kwartaal later werd de DNB-rekenrente weer verlaagd. Dit alles heeft geleid tot de ophoging van de leeftijd voor de AOW en in 2015 werden de pensioenwethervorming en het financieel toetsingskader (FTK) een feit. De pensioenen waren voortaan 'duurzaam' en 'toekomstbestendig'. Sinds die tijd draait de overheid weer aan alle knoppen van het ABP. De leeftijd en premie worden in Den Haag bepaald en de beleggingen en rekenrente vallen onder toezicht van DNB. Het ABP is daardoor de facto een veredeld uitkeringsloket geworden, zij het dat het in naam nog steeds zelfstandig is. Wat valt hier nu uit te concluderen?

Bestuur en governance

Corien Wortmann-Kool, sinds 1 januari 2015 bestuursvoorzitter van het ABP (foto genomen in Madrid, 2015; Wikimedia Commons)

Het zou voor de hand liggen om aan het hoofd van het ABP, met een vermogen van bijna vierhonderd miljard Euro, een accountant aan te stellen. De overheid vond het ‘netwerk’ in Den Haag echter belangrijker en ging over tot het benoemen van politici als voorzitter. Die voorzitters zagen deze functie als een van hun vele bijbanen. Bert de Vries deed het part time en Elco Brinkman besteedde niet meer dan een dag per week aan het ABP. Harry Borghouts, voorheen commissaris van de koningin in Noord-Holland, liet de provincie met een schuld van 78 miljoen Euro achter als gevolg van de affaire Icesave/Landsbanki. De Nederlandse Bond voor Pensioenbelangen (NBP) twijfelde ernstig aan zijn deskundigheid en betrouwbaarheid en hij werd met een motie van wantrouwen in 2009 van zijn ABP-voorzitterschap ontheven. Vervolgens kwam Ed Nijpels aan het roer van het ABP te staan. Deze had op het moment van zijn aantreden bij het ABP niet minder dan vijfentwintig nevenfuncties. Net als zijn voorgangers, Harry Borghouts en Elco Brinkman, grossierde Nijpels in bestuursfuncties en had hij geen verstand van pensioenen, aldus de NBP. Medio februari 2010 maakte Nijpels zijn aftreden bij het ABP bekend, nadat was gebleken dat tijdens zijn periode als commissaris bij de DSB deze bank failliet was gegaan. Op het moment dat alle Nederlandse banken met solvabiliteitsproblemen kampten, werd Henk Brouwer, een topman bij DNB, benoemd als voorzitter van het ABP. Het ABP ging vervolgens investeren in ‘onderwater-hypotheken’ van Nederlandse banken. Mogelijk heeft hij een rol gespeeld bij de afhandeling van de aandelen in andere ‘rommel-hypotheken’ die het ABP in 2007 had gekocht van JPMorgan Chase, Goldman Sachs en Morgan Stanley. Banken met een dubieuze reputatie.


Brouwers vertrok weer even snel als hij was aangetreden en hij werd opgevolgd door mw. Corien Wortmann-Kool, een goede bekende van Jeroen Dijsselbloem, als voorzitster. Een politica met een HBO-opleiding verpleegkunde. Het moge duidelijk zijn dat geen van deze voorzitters ter zake kundig was, integendeel.

Als de coördinatie met Den Haag voor het ABP zo belangrijk was, wat heeft dat dan uiteindelijk opgeleverd? In Artikel 3 van de Statuten van het ABP staat dat het fonds ten doel heeft pensioenovereenkomsten uit te voeren ten behoeve van deelnemers. Hoe is het dan mogelijk dat er een grondige, voor de deelnemers zeer nadelige- en voor de overheid uiterst voordelige, hervorming van het pensioenstelsel door het FTK in 2014 in gang werd gezet. De vraag is dan of het ‘netwerk’ in Den Haag wel in het voordeel van de deelnemers heeft gewerkt, zoals altijd werd beweerd. Verder is het opvallend hoeveel personen op belangrijke ABP-functies nu een belangrijke functie in het klimaatbeleid van de overheid vervullen. Zo is Ed Nijpels, ex-voorzitter van het ABP, nu voorzitter van het klimaatberaad. Gerard van Olphen is de voorzitter van de Raad van Bestuur van de Algemene Pensioengroep (APG) en toevallig ook voorzitter van de taakgroep Financiering van het Klimaatberaad. Hij moet dus o.a. de financiering van subsidies van de windmolenparken gaan bedenken. Het zou naïef zijn om te denken dat zij het vermogen van het ABP, in het kader van hun andere functies, buiten beschouwing zullen laten.


Rekenrente

In het verleden hanteerde het ABP een historische rekenrente van vier procent. Dit was zeer behoudend in vergelijking met de behaalde rendementen en dat is nu nog steeds het geval. Er kon worden geïndexeerd en er hoefde niet te worden gekort. Door de pensioenwethervorming en het FTK, bepaalt DNB voortaan de rekenrente. Omdat we tot de eurozone behoren, met een munt die niet alleen voor Nederland de munteenheid is, heeft de Europese Bank (European Insurance and Occupational Pensions Authority / EIOPA) voor alle pensioenfondsen en verzekeraars van de EU-landen een rekenrente (Ultimate Forward Rate / UFR) vastgesteld.


Zelfs als deze rente behoudend zou worden gehanteerd, is er geen enkel probleem en kan iedereen op dit moment het pensioen krijgen waarop men nu nog aanspraak kan maken. Onze DNB besloot echter eenzijdig deze risicovrije rente voor de pensioenfondsen aanzienlijk te verlagen, waardoor het ABP onmiddellijk te weinig in kas had om de pensioenen te kunnen uitkeren die ze beloofd had. Alle andere Europese landen en Nederlandse verzekeraars hanteren overigens wel een hogere rekenrente. Het merkwaardige feit doet zich voor dat niet de buffers van het ABP-vermogen worden aangesproken om mogelijke risico's in te toekomst op te vangen, maar dat bepaald is dat dit volledig en uitsluitend middels het toekomstig rendement wordt berekend. De DNB wil daarmee in feite dat het ABP nu genoeg vermogen in kas heeft om, zonder rekening te houden met toekomstige premies en rendementen, aan alle verplichtingen van iedere deelnemer te voldoen.

Dekkingsgraad

Door de, als gevolg van de lage rekenrente, te lage dekking moest het ABP dus een herstelplan indienen, dat door de DNB moest worden goedgekeurd. Een van de uitgangspunten van zo'n herstelplan is dat er behoudend- en met minder risico wordt belegd, Dit betekent in de praktijk dat er meer wordt belegd in staatsobligaties. Deze lopen immers het minste risico. We zien daarom een toename van de ABP-beleggingsportefeuille in staat- en bedrijfsleningen van 30% in 2016 tot 40% in 2018.


Er wordt niet alleen in Nederlandse staatsobligaties belegd, maar ook in die van andere, economisch veel zwakkere, EU-landen zoals Italië en Frankrijk. Dat heeft twee nadelen. De economisch zwakke landen binnen de EU kunnen hun begrotingen 'virtueel' rond krijgen door het uitgeven van staatsobligaties tegen een extreem lage rente. Als landen als Italië een dertigjarige lening kunnen afsluiten tegen praktisch nul procent, is dit nog minder dan de inflatie. Verder leveren deze obligaties het ABP niets op, integendeel. Het herstelplan gaat er namelijk van uit, dat staatsobligaties weliswaar minder renderen, maar op termijn zeker tot uitbetaling zullen overgaan. Er werd daarbij geen rekening gehouden met het feit dat de rente op 0% of zelfs daaronder zou komen.


Dit betekent dat het vermogen van het ABP door te investeren in obligaties niet toeneemt en herstelt, maar juist afneemt. Wat veel logischer zou zijn, is dat het ABP juist meer ging investeren in aandelen. In een tijd van lage rente wordt er immers meer uitgegeven. Daardoor groeien de bedrijven en nemen waarden van aandelen alleen maar toe. Het is voor mij dan ook onbegrijpelijk dat de president van DNB, Klaas Knot, blijft volharden in zijn redenatie.

Foto: Kantoorgebouw van De Nederlandse Bank te Amsterdam

(Bron: Wikimedia Commons)

Beleggingen

Het ABP heeft de laatste jaren een opmerkelijke belangstelling gekregen voor beleggingen in ‘groen’ en ‘duurzaam’. Zo wil het ABP in 2020 de CO2-voetafdruk van de aandelenbeleggingen met een kwart terugbrengen. Ook moet er dan tenminste vijf miljard euro worden belegd in hernieuwbare energie, zoals zonne- en windenergie. Tenslotte wil het ABP minstens 58 miljard euro beleggen in ondernemingen die met duurzame producten bezig zijn. Het klimaat is een van deze doelen. In het jaarverslag van 2018 valt te lezen dat het ABP bijdraagt aan de energietransitie in Nederland en samen met het APG het Nederlands Energie Transitiefonds heeft ingericht, dat begin 2019 van start is gegaan. Het ABP gaat dus een belangrijke bijdrage leveren aan het klimaatbeleid. De vraag is nu, of deze investeringen wel het meeste rendement opleveren. Het is geen geheim dat de huidige generatie 'groene' energievoorzieningen en windmolens op subsidie draaien. Per slot van rekening is het doel van een pensioenfonds het behalen van een zo groot mogelijk rendement voor de deelnemers, het heeft geen maatschappelijke functie.

Zelfstandige stichting

De overheid heeft de AOW-leeftijd opgetrokken. Dat is haar goed recht. Het is mij echter nog steeds niet duidelijk waarom de zelfstandige pensioenfondsen dit ook hebben gedaan. Deze hadden immers een contract met hun deelnemers. Er werd premie betaald en die zou met het behaalde rendement worden uitgekeerd op 65-jarige leeftijd. Ieder jaar werd er een begroting opgesteld, goedgekeurd door een actuaris en accountant. Iedereen weet dat de mensen steeds ouder worden en dat dit een van de grootste factoren is voor het vaststellen van de premie. Het ABP, als zelfstandige stichting, heeft blijkbaar al die tijd zitten slapen. Vervelend, maar dat wil nog niet zeggen dat de fondsen de spelregels mochten wijzigen. Dat dit toch is gebeurd, neem ik de vakbonden voor altijd kwalijk.


Verder kan het fonds, evenals ieder ander bedrijf of onderneming, haar zetel enkele kilometers verderop verplaatsen, van Heerlen naar Duitsland of België. Dat kan binnen de EU-constellatie en dan valt het fonds onder een buitenlandse wet. Daar zijn de rekenrentes hoog genoeg om iedereen op dit moment het volledige en geïndexeerde pensioen uit te keren. Het fonds zou er ongetwijfeld met open armen worden ontvangen. Dat zou in het belang van de deelnemers zijn.

Gelegaliseerde diefstal

De overheid heeft in het verleden onvoldoende werkgeverspremie voor haar ambtenaren betaald en door de Uitname-wetten is er eveneens geld uit de ABP-kas verdwenen. Dit geld is nooit terugbetaald. Als ik een levensverzekering afsluit en de bank of verzekeraar komt haar verplichtingen niet na, kan ik naar de rechter stappen en ik ontvang alsnog mijn geld. Als het mij, financieel gezien, niet voor de wind gaat en ik verzuim om premie te betalen, word ik gekort op mijn pensioen. Als de overheid vindt dat zij moet bezuinigen, wordt de premie-looptijd verlengd en de afgesproken leeftijd van uitkeringen van zelfstandige pensioenfondsen opgetrokken. Dat is en blijft diefstal, ook al is het gelegaliseerd.

Generatieverschillen

Een veel gehoorde bewering is dat de ouderen van nu profiteren van het pensioenvermogen en dat de jongeren daarvan de dupe zijn als het vermogen in de toekomst zou afnemen. Het pensioenfonds is een zakelijke onderneming. Het aanvullend pensioen is uitgesteld loon en de mensen die hun pensioen krijgen uitgekeerd, hebben hier dus in het verleden allang voor betaald. Het geld dat in de pot zit, is dus van de huidige deelnemers en niet van de toekomstige deelnemers of van de overheid. Iedereen betaalt eerst zijn premie en krijgt deze, al of niet met beleggingswinst, op zekere leeftijd uitgekeerd. Ik vraag mij dus af waar het idee vandaan komt om hier volgende generaties bij te betrekken. Jazeker, er is een collectiviteitsbeginsel. Dat wil niet meer zeggen dat er met een zeker risico kan blijven worden belegd, ook naarmate men ouder wordt en er meer kapitaal is opgebouwd. Dat geldt ook weer voor de komende generaties.


Dat heeft niets te maken met aanspraken van toekomstige generaties deelnemers. Het is daarom absurd om mensen die allang voor hun eigen pensioen hebben betaald, te gaan korten voor mogelijke beleggingsrisico’s in de toekomst. Nee, dat geld, hun geld zit nu al in de pot. Hiermee wordt de indruk gewekt dat mensen, die hun pensioen hebben opgebouwd en afbetaald gedurende een periode met goede rendementen, alsnog moeten meebetalen aan mogelijke beleggingsrisico’s die zich in de toekomst gaan voordoen. Nogmaals, een pensioenfonds is geen sociale instelling en heeft geen maatschappelijke functie. De doelstelling is uitsluitend om de ingelegde premies zo goed mogelijk te laten renderen ten behoeve van deelnemers.

Overheid

Wie de Kamerdebatten volgt, zou de indruk kunnen krijgen dat men het hier heeft over overheidsgeld. Waar het idee vandaan komt, dat het kabinet iets te maken heeft met het beleid van zelfstandige pensioenfondsen, is mij een raadsel. Het doel van de Pensioenwet is het veiligstellen van pensioenaanspraken van werknemers. Zij bevat een zeer groot aantal regels waar pensioenregelingen aan moeten voldoen om te zorgen dat dit doel gehaald wordt. Er gelden bijvoorbeeld strenge eisen met betrekking tot het eigen vermogen van pensioenfondsen. Daarnaast moeten pensioenfondsen (en werkgevers) de deelnemers en gepensioneerden duidelijk en regelmatig informeren over alles wat met hun pensioen te maken heeft. In de praktijk is gebleken, dat deze transparantie ver te zoeken is en legitieme vragen of beargumenteerde opmerkingen niet worden beantwoord. Het kabinet verschuilt zich achter - in het verleden zelf opgestelde - regels en komt de doelstelling van een pensioenfonds, het belang van de deelnemers, niet tegemoet.


Zolang dit niet gebeurt, concludeer ik dat de pensioenfondsen veel vermogen hebben opgebouwd. Het kabinet heeft maatschappelijke ambities en wil de belastingen niet verhogen en de staatsschuld afbouwen. Daarom doet het wederom een ‘greep’ uit de pensioenkas door de pensioenfondsen middels een extreem lage rekenrente in een toestand van een onvoldoende dekkingsgraad te brengen en vervolgens door toedoen van DNB te laten investeren in EU-overheden met een zwakke economie en een klimaatbeleid met vrijwel niet renderende opbrengsten. Het vermogen van de pensioenfondsen zal daardoor in de toekomst drastisch verminderen en daarom moet er worden gekort. Dan valt ook de opmerking van Jeroen Dijsselbloem op zijn plaats dat de pensioenfondsen de komende tien jaar rekening moeten houden met slechte rendementen.

De mate van beschaving van een land kan onder meer worden afgemeten naar de manier waarop men ouderen behandelt. Het is natuurlijk een gotspe om bejaarden, die dit land welvaart en een sociaal systeem hebben nagelaten, de rekening van het klimaatbeleid te laten betalen. Ze laten zich niet makkelijk in verenigingen onderbrengen, zijn kwetsbaar, kunnen geen kant meer op, maar zijn electoraal vrijwel altijd loyaal geweest. Om juist deze groep van hun spaarcenten voor de oude dag te beroven, is wel het laagste wat een politicus ooit kan doen.