PRIKKEN EN PRIKKELS

De missiestrategie van Nederland
-
overal en nergens

Op 23 september jl. publiceerde het online forum The Strategy Bridge een artikel van de doctoraalstudenten maj Ivor Wiltenburg en maj Martijn van der Vorm. In het artikel, met als titel Small State Strategic Thinking: the case of The Netherlands [1], hekelen zij het strategisch denken, of het gebrek daaraan, dat in Nederland aan de besluitvorming rond de inzet van de krijgsmacht voorafgaat. Volgens Wiltenburg en van der Vorm is de inzet van de Nederlandse krijgsmacht veelal niet gebaseerd op een gedegen strategisch plan maar de uitkomst van op de korte termijn gerichte partijpolitieke overwegingen en internationale druk. Dit zal voor diegenen die de Geïntegreerde Buitenland- en Veiligheidsstrategie (GBVS) hebben gelezen op zich geen verassing zijn. Deze strategie geeft naar eigen zeggen ‘richting aan datgene wat het kabinet buiten Nederland doet voor de veiligheid van Nederlanders, Nederland en het Koninkrijk’ maar, op een geografische focus na, geeft GBVS, voor de inzet van de krijgsmacht, net zo veel richting als een op hol geslagen kompas. Volgens de GBVS is het voor Nederland vooral belangrijk om internationaal als geloofwaardig en betrouwbaar te worden gezien; een imago dat goed bij ons past ‘omdat we gewend zijn om ons aan te passen en flexibel te zijn’. We gaan inderdaad bijzonder flexibel om met onze NAVO-afspraken, iets dat nu niet direct aan onze geloofwaardigheid en betrouwbaarheid lijkt bij te dragen. Datzelfde geldt voor onze bijdragen aan missies en operaties waarbij het strategisch doel van de missie van ondergeschikt belang lijkt te zijn, zolang er maar aan de partijpolitieke wensen tegemoet wordt gekomen.


Besluitvorming rond militaire bijdragen

Het artikel van Wiltenburg en van der Vorm komt op een moment dat er over maar liefst drie verschillende mogelijke inzetten een besluit moet worden genomen. Eind mei dit jaar hebben de Verenigde Staten (VS) verzocht of Nederland zou willen bijdragen aan een veiligheidsmechanisme in Noordoost-Syrië. Daarnaast hebben de VS op 9 juli, naar aanleiding van de aanslagen op olietankers in de territoriale wateren van de Verenigde Arabische Emiraten (VAE), Nederland verzocht een bijdrage te overwegen aan het waarborgen van de vrije en veilige doorvaart in de Straat van Hormuz en Golf van Oman. Op 26 juli heeft Frankrijk Nederland verzocht om deelname aan een multinationale Combined Joint Special Operations Task Force (CJSOTF) die de Malinese strijdkrachten moet gaan ondersteunen door middel van training, advisering en begeleiding. De besluitvorming over deze verzoeken is kennelijk, gezien de tijd die er inmiddels is verstreken, nogal ingewikkeld. Een vierde verzoek waar recent wél een besluit over werd genomen mag niet onvermeld blijven. Dit betreft het verzoek van de Verenigde Naties (VN) begin dit jaar (17 januari) voor een bijdrage aan de politieke waarnemingsmissie in Jemen, UNMHA. Op 27 september besloot het kabinet dat het, omwille van de veiligheid van het personeel, niet verantwoord is Nederlands personeel in het kader van deze missie beschikbaar te stellen.


De veiligheid van het militair personeel is een politiek zeer gevoelig thema en minister Bijleveld heeft dan ook meerdere malen in de Kamer verkondigd dat de militairen alleen worden uitgezonden als dat verantwoord is. In dat licht is het besluit om niet bij te dragen aan de missie in Jemen begrijpelijk. Dat neemt niet weg dat het voor een organisatie, die onder moeilijke omstandigheden veiligheid moet kunnen brengen en garanderen, wat paradoxaal aandoet om ergens niet naar toe kunnen te gaan omdat het te onveilig is. Daarnaast zou je verwachten dat een besluit om wel of niet deel te nemen in eerste instantie gemotiveerd wordt met een strategische afweging. Een afweging die laat zien dat er voor Nederland geen strategisch belang gediend is bij een eventuele bijdrage of dat de strategische doelstellingen die Nederland aan de bijdrage zou koppelen, met de daarvoor beschikbare middelen niet realiseerbaar zijn. Een dergelijke strategische afweging lijkt bij dit besluit te ontbreken, maar volgens van Wiltenburg en van der Vorm wordt een dergelijke afweging überhaupt niet gemaakt. Het lijkt er in dit geval op dat zij gelijk hebben.

Parlementsgebouwen, Den Haag (foto: Wikimedia Commons)

Strategie versus (partij-)politiek

Wie de politiek een beetje volgt weet dat de coalitiepartijen ten aanzien van de inzet van de krijgsmacht zeer uiteenlopende opvattingen hebben. Dat maakt dat verzoeken tot mogelijke bijdragen aan missies onderwerp worden van een ordinair politiek handjeklap waarbij de partijen in ruil voor hun medewerking proberen toezeggingen af te dwingen. Het is bij het beoordelen van de verzoeken dus niet zozeer de vraag of die bijdragen vanuit strategisch perspectief van belang zijn, maar of de partijen er voor zichzelf voldoende uit kunnen halen wanneer zij ermee instemmen. Wat betreft het verzoek voor een bijdrage aan het veiligheidsmechanisme in Syrië heeft de strategische realiteit de politieke werkelijkheid inmiddels ingehaald. In reacties op sociale media hekelen politici van alle partijen de betrouwbaarheid en geloofwaardigheid van de VS en betreuren het lot van de Koerden. Over het uitblijven van een antwoord op het verzoek van de VS voor ondersteuning echter geen woord. Politieke verontwaardiging is stukken goedkoper dan strategische besluitvorming.

Strategie gaat over doelstellingen en de wijze waarop de machtsmiddelen van de staat worden ingezet om die doelstellingen te realiseren. Dit betekent dat inzet van de Nederlandse krijgsmacht gericht zou moeten zijn op een vooraf bepaald en realiseerbaar geacht doel. Wie de artikel-100 brieven erop naleest komt echter al snel tot de ontdekking dat concrete doelstellingen steevast ontbreken. Onder ‘gronden voor deelname’ wordt altijd verwezen naar bevorderen van de internationale rechtsorde, stabiliteit, veiligheid en een betrouwbare bondgenoot willen zijn. Vervolgens worden daar ‘subdoelstellingen’ van afgeleid als ‘tegengaan internationaal terrorisme en voorkomen van irreguliere migratie’. De gronden voor deelname zijn daarmee zo generiek dat ze voor elke missie waar de coalitie brood in ziet bruikbaar zijn. Het strategische belang van de deelname voor Nederland wordt nergens benoemd. Net zo min als de wijze waarop we kijken naar de resultaten.

Als resultaat er niet toe doet

Op 1 oktober jongstleden vond het jaarlijkse Algemeen Overleg plaats met de Kamer over de evaluatie van de missies en operaties van het afgelopen jaar (2018). Het is op zichzelf al vreemd dat het terugkijken op de resultaten van de inzet van de Nederlandse krijgsmacht in missies en operaties in 2018 pas in oktober 2019 plaatsvindt. Dat de agenda voor dit debat, waar slechts twee uur voor werd uitgetrokken, ook nog eens wordt aangevuld met andere, meer actuele onderwerpen, is veelzeggend. Het meest ontluisterend is echter dat wie de transcriptie van het overleg naleest, geen enkele vraag terug zal vinden over de strategische effectiviteit van de Nederlandse inzet in 2018. De vraag: ‘Wat heeft de inzet in 2018 nu eigenlijk opgeleverd’ is niet gesteld noch beantwoord. De aanwezige leden wilden vooral weten wat de gedachten waren omtrent de genoemde verzoeken voor nieuwe bijdragen. De bijdragen die de krijgsmacht reeds had geleverd waren kennelijk niet interessant. Kamerlid Belhaj (D66) zei hierover aan het eind van het overleg het volgende: Ik wil eigenlijk alleen nog maar afrondend zeggen dat ik iemand ken die onderzoek deed naar hoe de Kamer precies de missies evalueert. Diegene vertelde me daarna dat dit best wel kort was. "Ja, maar kijken jullie dan niet of jullie vrede hebben gerealiseerd of dat jullie hebben gezorgd dat alle vrouwen veilig zijn?" Die onbevangen opmerking die diegene maakte, zit nog steeds af en toe in mijn hoofd. Ondertussen durf ik wel te zeggen dat het soms alleen al de kunst is om te zorgen dat de mensen letterlijk niet meer in extreme conflictsituaties zitten en hoeven te vrezen voor hun leven’ [2]. Wie het debat op de televisie heeft gevolgd kon de andere aanwezige Kamerleden hierbij instemmend zien knikken. Vrij vertaald komt wat Mw. Belhaj zei erop neer dat het niet uitmaakt waarvoor de krijgsmacht wordt ingezet of welke resultaten ze bereikt, zolang er maar mensen mee geholpen zijn.

Wiltenburg en van de Vorm hadden geen betere titel voor hun artikel kunnen bedenken: Het strategisch denken in de kleine staat Nederland is precies dat: heel erg klein.

Redactie

Eindnoten:

1. https://thestrategybridge.org/thebridge/2019/9/23/small-state-strategic-hinkingthe-case-of-the-netherlands#

2. Conceptve8++9+rslag voortgang/evaluatie missies en operaties https://www.tweedekamer.nl/kamerstukken/detail?id=2019D38941&did=2019D38941