OPINIE - BUITENLAND

Oplopende spanning in het Midden-Oosten

De rivaliteit tussen Saoedi-Arabië en Iran

lkol b.d. P. Dekkers

Op zaterdag 15 september werd een groot deel van de olieraffinagecapaciteit in Saoedi-Arabië, de raffinaderij van Saudi Aramco in Abqaiq, het centrum van de Saoedi-Arabische olieproductie, vernietigd door een aanval met drones en kruisraketten. Hierdoor verdween in een klap de dagelijkse productie van bijna zes miljoen vaten olie, een indicatie dat vrijwel de gehele raffinaderij was komen stil te liggen. Nog los van het productieverlies, was de grootste zorg van dit moment de precisie waarmee de aanval werd uitgevoerd. Mede aanleiding voor de bezorgdheid was dat de gebruikte wapens vrijwel zeker uit Iran afkomstig waren. Alhoewel de aanval werd geclaimd door de Houthi rebellen in het aangrenzende Jemen, kwamen al snel verklaringen vanuit de VS en van de Saoedi’s naar buiten dat Iran er achter zat. Als bewezen zou worden dat dit daadwekelijk het geval was, dan dreigt een directe militaire confrontatie tussen Iran enerzijds en Saoedi-Arabië, gesteund door de VS, anderzijds. In dit artikel zal worden ingegaan op de oorzaken van de spanningen tussen de beide regionale grootmachten Saudi-Arabië en Iran en mogelijke gevolgen van deze aanval.

Locatie Saoedische oliefaciliteiten (Bron: Wikimedia Commons)

Historie

Saoedi-Arabië en Iran zijn al tientallen jaren rivalen op allerlei terreinen en bovendien zijn beide staten verwikkeld in een min of meer openlijke strijd over de macht in de regio, het Midden-Oosten. Alhoewel de gewapende strijd tot dusver via bevriende milities werd gestreden, als war by proxy, lijken de laatste ontwikkelingen erop te wijzen dat de schermutselingen een meer openlijk op elkaar gericht karakter gaan krijgen. Daarmee ontstaat bovendien het risico dat de grote mogendheden, de VS voorop, in het conflict betrokken raken, net als de andere sterke macht in de regio, Israël.

De vijandschap tussen beide staten wordt gevoed door religieuze verschillen: zo is Saoedi-Arabië overwegend de soennitische versie van de islam toegedaan en is in Iran de sjiitische versie van deze religie toonaangevend. Deze religieuze verschillen worden benadrukt door het feit dat beide landen beschouwd worden als de leidende autoriteit voor hun visie op de religie. Voor Saoedi-Arabië is die positie min of meer vanzelfsprekend aangezien de grootste heiligdommen voor de islamitische wereld zich in het koninkrijk bevinden, zoals in de heilige stad Mekka, de geboorteplaats van de islam. In 1979 begon dit beeld te kantelen door de Iraanse revolutie. De door zichzelf tot keizer gekroonde heerser in Teheran, sjah Reza Pahlavi, werd afgezet en moest met zijn hele familie en andere getrouwen hals over kop het land ontvluchten om uiteindelijk in Egypte in ballingschap te belanden. De macht werd overgenomen door fundamentalistische religieuze sjiitische geestelijken, onder aanvoering van de uit ballingschap in Frankrijk teruggekeerde ayatollah Ruhollah Khomeini. Niet veel later ontpopte de nieuwe regerende clan zich als een religieuze, autoritaire theocratie, maar dan met revolutionaire en missionaire trekken. De relatie met de VS, een bevriende mogendheid in de tijd van de sjah, verslechterde snel en vond al spoedig een dieptepunt tijdens de bezetting van de Amerikaanse ambassade en de gijzeling van het ambassadepersoneel in de ambassade. Een militaire bevrijdingspoging ontaardde in een compleet fiasco voor de Amerikanen, die daardoor aanzienlijk gezichtsverlies leden in de Arabische wereld.

Tegenstellingen

Bleef de situatie de daaropvolgende jaren enigszins stabiel, dat veranderde na de Amerikaanse inval in Irak in 2003. Het regime van Saddam Hoessein, een soenniet, die een fervent tegenstander was van de sjiitische ayatollahs, werd verdreven en de delicate balans in de regio raakte ernstig verstoord. De sjiitische meerderheid in het land zag zijn kans schoon en sinds die tijd is de invloed van Iran in de regio alleen nog maar gestegen. Enige jaren later, na de Arabische lente van 2011, werd de politieke situatie nog verder gedestabiliseerd, iets waar de leiders in Teheran profijt van trokken. Ook de Saoedi’s profiteerden, zij het in mindere mate, en het onderlinge vertrouwen tussen Riyad en Teheran bleef zich in een neergaande lijn bewegen. Bij de vrijwel uitzichtloze burgeroorlog in Syrië strekte de lange arm van Iran zich uit naar dit land via de door Iran gesteunde Hezbollah beweging die eveneens deelnam aan de strijd op Syrisch grondgebied. Het uiteindelijke strategische doel van het Iraanse regime lijkt te zijn gericht op het creëren van een permanente corridor over land van Iran via Irak en Syrië naar de Middellandse zee.


In Syrië hebben de sympathisanten van Iran zich stevig gepositioneerd ten koste van de, door Saoedi-Arabië gesteunde, anti-Bashar groeperingen, iets waarvan ook Rusland heeft geprofiteerd door de de-facto overname van de zeehaven van Tartous aan de Middellandse Zee, ten zuiden van Latakia, en de vliegbasis bij Khmeimim in de provincie Latakia. Het lijkt er dus op dat Iran vooralsnog aan de winnende hand is bij de strijd om de hegemonie in het Midden-Oosten. Een situatie waar de ambitieuze kroonprins Mohammed bin Salman (MBS), de feitelijke machthebber in het streng islamitische Saoedi-Arabië zich niet zomaar bij neer zal leggen. Zijn pogingen om de groeiende Iraanse invloed af te remmen lijken echter vooralsnog weinig succesvol. Met name de strijd tegen de door Iran gesteunde Houthi-rebellen lijkt op een kostbare gok, waar tot dusver voor Riyad nog maar weinig successen werden geboekt. Integendeel, de Houthi’s lijken met de dag sterker te worden dankzij de door Iran geleverde wapens die zo effectief bleken tegen de Saoedische olie-installaties. Het wekt op zijn zachtst gezegd gerede twijfel aan de miljarden dollars gekost hebbende Saoedische luchtverdediging, met door de VS geleverde wapensystemen. Maar zolang de Saoedi’s zich gesteund weten door de VS, voor wie de heersende ayatollahs de aartsvijanden van de regering-Trump zijn, zullen zij niet zo snel geneigd zijn zich terug te trekken uit Jemen. Werd tot voor kort de rivaliteit tussen de Saoedi’s en de Iraniërs uitgevochten door de aan hun gelieerde bewegingen, zoals de rebellen in Jemen, de laatste tijd lijkt het erop dat Iran zich geleidelijk aan zelf in de conflicten gaat mengen. Tekenen die daarop wijzen zijn de recente aanvallen met plakmijnen op olietankers in de Straat van Hormuz en de indicaties dat Teheran meer te maken had met de aanval op de Saoedische olie-industrie dan het wil toegeven. Ondanks de ferme beschuldigingen hieromtrent vanuit Washington, bij monde van de president en zijn minister van buitenlandse zaken Pompeo, is een smoking gun echter nog niet aan de wereld gepresenteerd door de Amerikanen.

Militaire overwegingen

Het valt op zich te begrijpen dat de Amerikanen het conflict niet verder willen laten escaleren. Voor de regering-Trump valt er in verkiezingstijd, met een bevolking die oorlogsmoe is, en een nationale schuldenberg van astronomische proporties, weinig tot niets te winnen met het betrokken raken in weer een nieuwe oorlog in het Midden-Oosten. Ook voor Iran lijkt, vanuit westers perspectief, een rechtstreeks conflict met de Saoedi’s en de VS buitengewoon onverstandig, gelet op de slechte economische omstandigheden waarin het land verkeert. Ondanks dit alles is de spanning toch zo hoog opgelopen dat er maar weinig hoeft te gebeuren om de lont in het kruitvat aan te steken. Met name voor de Saoedi’s, en de positie van kroonprins MBS, is elk gezichtsverlies onverteerbaar. Een hernieuwde aanval op de Saoedische infrastructuur zou vrijwel onvermijdelijk tot een rechtstreekse confrontatie gaan leiden, maar ook in de Perzische Golf is het gevaar nog allerminst geweken. Zouden de Iraniërs zover gaan als het afsluiten van de Straat van Hormuz, dan zou dat voor de VS vrijwel zeker een casus belli inhouden, waarbij met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid Amerikaanse zee- en luchtstrijdkrachten ingezet zullen gaan worden. Een strijd die zuiver militair gezien in het voordeel van de Amerikanen zou kunnen uitpakken gezien hun oppermachtige bewapening. Politiek gezien zou het, we hebben dit eerder gezien in Afghanistan, Libië en Irak, wel eens een stuk nadeliger kunnen aflopen. En met de toch wat onberekenbare Amerikaanse president is het ook altijd maar afwachten wat zijn reactie zal zijn op wat als een nieuwe Iraanse provocatie beschouwd zou kunnen worden.

Zou het tot een rechtstreek militair conflict tussen Iran en Saoedi-Arabië komen dan is de uitkomst hiervan moeilijk te voorspellen. Op papier lijken de krachtsverschillen in het voordeel van Iran. Het Iraanse leger is met ruim 500.000 manschappen ruim tweemaal zo omvangrijk als dat van de Saoedi’s. Qua materieel zijn de verschillen wat minder groot, bijvoorbeeld 336 gevechtsvliegtuigen tegenover 338. Daarbij moet wel bedacht worden dat de luchtmacht van Iran alleen over sterk verouderd materiaal beschikt, veelal nog restanten uit de tijd van de sjah, waarvan de inzetbaarheid op zijn zachtst gezegd twijfelachtig is; hetzelfde geldt voor de bemanningen die naar wordt verondersteld maar een minimaal aantal vlieguren ter beschikking hebben om hun vaardigheden op peil te houden. De Saoedi’s daarentegen beschikken over modern materiaal, waaronder 64 Typhoon (Eurofighter) jachtvliegtuigen. Voor wat betreft de marines is het nog weer een ander verhaal: Iran beschikt over een groot aantal kleine patrouilleboten (194) en een handvol onderzeeboten waarmee het een bedreiging vormt voor de vrije doorvaart in de Straat van Hormuz; de Saoedi’s kunnen daar alleen een paar fregatten en een tiental patrouilleschepen tegenover stellen. Over de militaire effectiviteit van beide zijden blijft het gissen: van de resultaten uit het verleden kan alleen gezegd worden dat tijdens de Golfoorlog Irak-Iran uit de jaren tachtig beide landen elkaar jarenlang in een houdgreep hielden zonder enige beslissing te kunnen forceren. Maar zou onverhoopt de strijd tussen Iran en Saoedi-Arabië tot een uitbarsting komen, bijvoorbeeld als vergelding voor de aanval op de raffinaderijen van 15 september, dan bestaat de kans dat andere grootmachten, of regionale krachten, zich erin gaan mengen en dan wordt elke uitkomst ongewis.

Het nucleaire programma van Iran

Het nucleaire programma van Iran, en de potentiële dreiging die daarvan uitgaat, is gedurende de laatste vijftien jaar een voortdurende bron van zorg geweest voor het Westen. Al tijdens het regime van de sjah werd een begin gemaakt met de opbouw van een nucleair programma voor vredelievende doeleinden. Dit gebeurde uiteraard met hulp van de VS en Groot-Brittannië als sponsors. Na de revolutie van 1979 kwam hier echter zoals te verwachten was vrij abrupt een einde aan. In 1981 besloten de nieuwe machthebbers dat het nucleaire programma hervat diende te worden. Hiertoe werden in eerste instantie onderhandelingen gestart met Frankrijk en Argentinië, maar pas met de vorming van een samenwerkingsverband met Rusland, dat experts en knowhow leverde kwam er schot in het programma. In 2002 werd door de Russen met de bouw van Irans eerste kernreactor begonnen. In het Westen werd het Iraanse nucleaire programma met argwaan gadegeslagen. Immers, wat moest een land dat over een van de grootste oliereserves ter wereld beschikte met een kerncentrale voor zijn energievoorziening?


Er bestond al vrijwel meteen de verdenking dat Iran uit was op het, clandestien, verrijken van uranium ten behoeve van de opbouw van een arsenaal kernwapens. Al in 2003 werd door het Internationale Atoomenergie Agentschap (IAEA) een onderzoek gestart naar de nucleaire activiteiten van het land. Hiermee werd een lange periode ingeluid van internationale sancties en Iraanse tegemoetkomingen en aanhoudende verdenkingen dat de verdere ontwikkeling van het kernwapenprogramma ondergronds voortging. Pas in 2009 gaven de Iraanse autoriteiten toe dat in de nabijheid van de heilige stad Qom gewerkt werd aan de verrijking van uranium, maar legden er de nadruk op dat dit in zijn geheel was bedoeld voor vredelievende doeleinden. Deze bewering werd echter vrijwel nergens geloofd aangezien het land in datzelfde jaar een begin maakte met het afvuren van raketten voor middellange en grotere afstand, waarmee ook doelen in Israël onder vuur genomen konden worden. Als vervolg op de economische sancties tegen Iran, zoals een olieboycot door de EU, werd in 2010 een cyberaanval met het Stux-virus gelanceerd op de kernreactor in Natanz. Iran beschuldigde de VS achter deze aanval te zitten.

Na jaren van onderhandelingen werd uiteindelijk in 2015 een overeenkomst gesloten met de P5 + 1, de vijf permanente leden van de VN-VR (de VS, Rusland, China, het VK en Frankrijk) plus Duitsland, over beperkingen in het Iraanse nucleaire programma, in ruil voor het opheffen van de sancties. De verhoudingen leken zich te normaliseren en voor het eerst in vele jaren bracht een president van Iran een bezoek aan Europa. Helaas was de ontspanning van korte duur want al in 2018 kondigde president Trump aan dat de VS zich zouden terugtrekken uit de deal met Iran. Zoals te verwachten reageerde Iran met de waarschuwing de verrijking van uranium te zullen hervatten. Toen in 2019 de Iraanse marine een aantal kleine prikacties tegen olietankers in de Perzische Golf lanceerde en enkele schepen confisqueerde liepen de spanningen snel op, culminerend in de aanval op de olie-industrie van Saoedi-Arabië.


Twee landen, de VS en Iran die elkaar respectievelijk beschouwen als een deel van de ‘as van het kwaad’ en ‘de grote satan’, met aan beide zijden soms onberekenbare leiders aan de macht. De Iraniërs lijken met vuur te spelen.


Een angstwekkend vooruitzicht.