DEFENSIEBELEID EN KRIJGSMACHT

Heeft de dienstplicht toekomst?

Hans Stevens en Jaap Anten [1]

In Nederland is de overheid een jaar geleden begonnen met experimenteren en stimuleren van maatschappelijke dienstplicht. Het jaarbudget hiervan moet oplopen tot € 100 miljoen per jaar in 2021. Voor de krijgsmacht is dit niet vrijblijvend, want de minister heeft de drie operationele commando’s (OPCO’s) opgedragen hiermee aan de slag te gaan. Dus is het tijd voor een discussie over de noodzaak van een moderne dienstplicht.

Personele onderbezetting

Tijdens de Koude Oorlog was de krijgsmacht vooral een opleidingsorganisatie. Het overgrote deel van het beroepskader was hiermee bezig. De laatste twintig jaar focust de krijgsmacht veel meer op inzet. Na het einde van de Koude Oorlog werd er substantieel bezuinigd op de defensiebegroting. Het militaire apparaat is gekrompen en ernstig verwaarloosd. In 1996 werd de militaire opkomstplicht opgeschort en daarmee in feite de dienstplicht . Sindsdien zijn de militaire werkzaamheden meer specialistisch geworden. Het aantal benodigde, minder-gespecialiseerde (al dan niet dienstplichtige) militairen is afgenomen. De vroegere grootschalige opvang en opleiding van dienstplichtigen is niet meer mogelijk.


Zoals bekend kampt Defensie nu met een groot en chronisch personeelstekort. De onderbezetting is het grootst in de leeftijdscategorie van 27 tot 35 jaar, bij de landmacht en vooral in het middenkader: subalterne officieren, sergeanten en korporaals. Daarnaast ook bij de specialisten, waarvan een groot aantal overstapte naar het bedrijfsleven, dat beter betaalt. Er is veel onderzoek gedaan naar dit niet-voorziene verloop en dan blijken er drivers te zijn: privé-werk verhouding en primaire arbeidsvoorwaarden. Wervingsproblemen zijn ook een driver van de tekorten; bepaalde categorieën kunnen onvoldoende geworven worden. Belangrijke oorzaken van de tekorten liggen ook bij onderwaardering en onder-honorering in vergelijking met civiele werkgevers en met het buitenland, maar ook door het gebrek aan ‘echte’ inzet en actie.

Enkele mogelijke oplossingen

● Goed werkgeverschap en betere werkomstandigheden. In het Engelse systeem wordt de militair beter betaald, maar wordt de arbeidsovereenkomst vanaf de leeftijd van 40 à 45 jaar ontbonden.

● Een betere vorm van werving met stageplaatsen voor middelbaar en hoger onderwijs en VeVa (Veiligheid en Vakmanschap)-opleidingen. Defensie zou de werving ook in eigen hand kunnen laten nemen door de OPCO’s.

● Een adaptieve Krijgsmacht.

● Heroverweging van de militaire dienstplicht. Hoewel velen opteren voor een beroepsleger, al dan niet aangevuld met vrijwillige reservisten, zien zij wel dat, wanneer er een ernstig structureel personeelstekort is, er gezocht moet worden naar een andere oplossing.


Genoemde voorstellen vragen elk om een aparte bespreking. In dit kader gaan wij in op heroverweging van de militaire dienstplicht, die op zichzelf nooit de alomvattende oplossing kan zijn.

Dienstplicht, dienplicht, dienstrecht

Onder dienstplicht of militaire dienst wordt de verplichting verstaan tot het tijdelijk vervullen van militaire werkzaamheden door (een deel van) de bevolking.


Een definitie van maatschappelijke dienplicht luidt: een maatschappelijke stage, waarbij alle jongeren een elementaire stage krijgen van bij voorbeeld drie maanden, gevolgd door drie maanden stage binnen sectoren als defensie, openbare orde, veiligheid, sport, milieu, onderwijs en de sociale zorgsector (NRC 12-10-2013).


Over dienstrecht wordt gesproken in geval van maatschappelijke dienplicht, waarbij men het recht heeft deze bij de krijgsmacht te vervullen.


Voor de toekomst is voor dienstplicht een andere term nodig waarvoor de benamingen ‘maatschappelijke dienplicht’ en ‘maatschappelijke diensttijd’ worden genoemd. Wij beseffen dat dienstplicht maar een gedeeltelijke oplossing kan bieden en alleen zin heeft als de problemen van de krijgsmacht breed worden aangepakt.

Heroverweging van de dienstplicht

Tijdens het bezoek van staatssecretaris Barbara Visser aan Mars & Mercurius in Arnhem op 14 mei 2019, kwam de heroverweging van de opkomstplicht voor militaire dienst ter sprake. De staatssecretaris is daarvoor op studiereis naar Noorwegen geweest en er ligt een rapport over de herinvoering van de dienstplicht in Zweden. Zij bevestigde dat dienstplicht c.q. dienplicht verder onderzocht moet worden.


Bij maatschappelijke dienplicht zullen in de maatschappij peilingen verricht moeten worden. Het is nog niet zo ver, maar Defensie moet er wel klaar voor zijn.


Het feit dat de Verenigde Staten zich in toenemende mate losmaken van de NAVO ten gunste van de Pacific, betekent dat de Europeanen op langere termijn de Amerikaanse taken voor de beveiliging van Europa en omgeving moeten gaan overnemen. Als Europa meer voor de eigen defensie moet opdraaien zal dit hogere budgetten vergen. Dat betekent op termijn een grote toename van personeel in alle krijgsmachtdelen. Dit zal creatieve vormen van personeelsbeleid vereisen. In Frankrijk is president Macron bezig een maatschappelijke dienplicht in te voeren waar de militaire dienplicht ook onder valt.

Ontwikkelingen sedert 1996

Na de opschorting van de dienstplicht in 1996 zijn we nu enige decennia verder. Veranderde aspecten in maatschappij en krijgsmacht maken dat bij heroverweging van de dienstplicht niet te veel naar het verleden gekeken moet worden, maar dat veel nieuwe elementen in ogenschouw genomen moeten worden om eigentijdse oplossingen te vinden.


We noemen een aantal elementen:

1. Het gaat in dit stuk niet om de ouderwetse militaire dienstplicht. Defensie is nu een gespecialiseerde organisatie. Defensie is niet in staat om een heel jaarcohort van een tweehonderdduizend onopgeleide, dienstplichtige jonge mannen en vrouwen te werk te stellen. Natuurlijk zijn er wel werkzaamheden, die minder opleidingstijd vragen en die zouden een aanloop kunnen zijn naar verdere opleiding, waarvoor dan langduriger contracten gesloten kunnen worden. Het zou een kans zijn voor Defensie zich innovatief en attractief te presenteren.

2. Sedert 2018 geldt dienstplicht ook voor vrouwen, voor wie de term maatschappelijke dienplicht vaak van toepassing zal zijn.

3. Maatschappelijke dienstplicht wordt soms gezien als dwangarbeid, maar er zijn meer problemen waarbij de staat aan individuen verplichtingen oplegt. De overheid ontkomt daar niet aan wanneer de maatschappelijke dienstverlening vastloopt. De democratische samenleving dient beveiligd te worden en tegenover mensenrechten staan ook mensenplichten.

4. Personele tekorten bij de krijgsmacht en bij andere, met name maatschappelijke organisaties, zouden door goed werkgeverschap kunnen worden verminderd. Dit gaat veelal moeilijk, vandaar dat de overheid ook hier - zeker op langere termijn - geconfronteerd kan worden met het opleggen van plichten.

5. Het heroverwegen van de militaire dienstplicht komt primair voort uit ernstige personeelstekorten en niet uit de wens om te bezuinigen op beroepspersoneel.

6. Het argument: ‘dienstplicht is goed om van jongelui kerels te maken en solidariteit aan te kweken’ willen wij hier alleen zijdelings aansnijden omdat hiervoor nog geen wetenschappelijke onderbouwing bestaat. Ongetwijfeld beschouwt een aantal voormalige dienstplichtigen deze fase in hun leven als niet noodzakelijk of kwalijk. Anderzijds zijn er zoveel veteranen die op grond van dit idee voor een vorm van dienplicht opteren dat hier voor gedragswetenschappers wellicht een promotieonderwerp te vinden is.

Alleen of samen met anderen?

Defensie is niet de enige organisatie met een groot personeelstekort. De personele onderbezetting loopt parallel met soortgelijke problemen bij andere organisaties voor maatschappelijke dienstverlening, zoals de Politie, veiligheidsdiensten, sport, milieu, onderwijs en de sociale zorgsector. Samenwerking zoals dat in Scandinavië al plaatsvindt kan mogelijkheden bieden voor organisatie van zaken, zoals oproep, plaatsing, huisvesting en logistiek. Voor de dienplichtigen ontstaan keuzemogelijkheden. Ook in Frankrijk is men in deze richting bezig.


Het is belangrijk de plannen te vergelijken met die in overeenkomstige landen (noordflank NAVO en Frankrijk). Veel van wat daar gebeurt, zou bij ons ook mogelijk moeten zijn.

Voorwaarden

Wanneer een vorm van dienstplicht een rol zou kunnen spelen bij vermindering van de personeelstekorten bij het geheel van de maatschappelijke dienstverlening, dan is daarvoor een breed multi-departementaal plan vereist, waarbij aan uiteenlopende voorwaarden moet worden voldaan.

1. Financieel
Honorering zoals vroeger, één gulden per dag plus kost, inwoning en reiskosten, is niet meer van deze tijd. De sociale en financiële status van dienstplichtigen dient opnieuw bekeken te worden en daarmee ook het aanzien.
Een ander financieel probleem zijn de kosten van de maatschappelijke dienplicht, die dan wel in gezamenlijkheid moeten worden gedragen. Wellicht dat de kosten deels terugverdiend kunnen worden doordat de dienplicht her en der, waar vacatures tot dan toe niet vervuld konden worden, verlichting kan geven,. Een financieel minpunt zou kunnen zijn dat er meer opgeleid en geoefend zal worden dan bij vast personeel dat ‘langer meegaat’.

2. Juridisch

Als over plichten en rechten gesproken wordt komen juridische aspecten om de hoek kijken, die goed moeten worden afgedekt, zoals nieuwe verhoudingen binnen Defensie en de relaties met de andere deelnemende organisaties. De kans op onrecht dat sommige jongeren worden opgeroepen en anderen worden vrijgesteld, moet zo klein mogelijk worden gemaakt, wat deels kan door bijvoorbeeld dienrecht. Verder zouden bepaalde instellingen en bedrijven zich kunnen beroepen op verstoring van de ‘vrije markt’. Denemarken heeft al bedongen dat sommige Europese regels terughoudend moeten worden uitgelegd en dat waar nodig uitzonderingen gemaakt moeten kunnen worden.

Hoe zouden wij hiermee verder kunnen?

1. Binnen Defensie de discussie over maatschappelijke dienplicht en de acceptatie daarvan op gang brengen. De Commandant der Strijdkrachten, Rob Bauer, en anderen hebben zich al eens uitgesproken ten gunste van herinvoering van de opkomstplicht in een nieuwe vorm. Er zou bij voorbeeld een symposium georganiseerd kunnen worden over heroverweging van de dienplicht met alle pro’s en contra’s, zodat binnen Defensie een goed overzicht over de gehele materie verkregen wordt. Zo zal het idee van dienplicht gaan over een oplossing van het personeelstekort en niet over een verkapt stagesysteem.

2. Contacten leggen met leidinggevenden in andere sectoren met grote personele onderbezetting, ook weer gevolgd door een symposium. Het hier genoemde idee van een algemene maatschappelijke dienplicht maakt meer kans van slagen als andere organisaties over hun personeelstekorten ook langs deze richting willen meedenken.

3. Als de deelnemende partijen tot een gezamenlijk plan komen zal dit voorgelegd moeten worden voor politieke en maatschappelijke acceptatie. Dit vraagt om politiek behendig en nauwkeurig navigeren. Andere instellingen hebben veelal andere ideeën of zijn misschien tegen. Defensie moet ervoor waken niet in een bureaucratische of politieke strijd te belanden.

4. Intussen blijven werken aan verbetering van de arbeidsomstandigheden.

Onze dank gaat uit naar de leden van de Werkgroep Defensiebeleid en Krijgsmacht voor hun waardevolle aanvullingen en suggesties.