VIERKANT BESCHOUWD

De Nederlandse Defensie Doctrine

Is er nieuws onder de zon?

Afgelopen juni heeft de nieuwe Nederlandse Defensie Doctrine (NDD) het licht gezien. Op de website van Defensie wordt de publicatie heel kort toegelicht door luitenant-admiraal Bauer, de Commandant der Strijdkrachten (CDS). De laatste zin van zijn toelichting luidt: “Hoewel de NDD gezaghebbend is, vereist dit een oordeel door de professional over de toepassing ervan”. Dat vonden wij geen gemakkelijk te bevatten boodschap. Wil de CDS hiermee zeggen dat buitenstaanders, niet-professionals, of gewoonweg ‘burgers’ het boekwerk toch niet juist kunnen interpreteren? Heeft hij misschien zelf problemen met (een deel van) de inhoud? Of zoekt hij op voorhand naar excuses om het optreden van de krijgsmacht goed te praten, als en zodra zijn troepen afwijken van de beschreven principes? Ook al snapten we het niet, de opmerking van de hoogste Nederlandse militair maakte ons extra nieuwsgierig naar de inhoud.


1. Wat de doctrine beoogt te zijn

2. Wat erin staat

3. De kern

4. Kritische noten

5. Meer kritiek

6. Wie hebben er echt iets aan?

7. Wat heeft Bauer dan toch bedoeld?

Wat de doctrine beoogt te zijn

Bij het uitkomen van de nieuwe doctrine is een animatievideo verspreid (bekijk de video hieronder of ga naar: https://www.defensie.nl/downloads/videos/2019/06/19/animatievideo-defensie-doctrine).

Hierin wordt toegelicht waarom er een nieuwe doctrine nodig was. Het verbaast niet dat het wijzigende wereld- en dreigingsbeeld daarbij als eerste wordt genoemd. De NAVO, één van de hoekstenen van onze veiligheidsstructuur, heeft haar doctrine eveneens gewijzigd en als derde aanleiding wordt de opkomst van cyber genoemd. Daarna licht de video toe dat de doctrine onze principes over de inzet van de krijgsmacht beschrijft. Het vormt ons “uitgangspunt voor het plannen, voorbereiden en uitvoeren van militaire operaties”. Als ‘disclaimer’ wordt daaraan toegevoegd: “Maar daarmee vervangt het nooit het individuele initiatief van onze mensen”.


De video vervolgt met de belangrijkste wijzigingen in de nieuwe uitgave van de doctrine: “Er is meer aandacht voor hybride dreigingen. Het accent verschuift van veiligheids- en stabiliteitsoperaties naar gevechtsoperaties, nationale operaties en grootschalige, interstatelijke conflicten. Waarbij een integrale benadering van groot belang is”. En voorts: “We treden geïntegreerd op, met civiele en militaire partners. We zijn in toenemende mate afhankelijk van informatietechnologie. En we kunnen onze belangen niet alleen met fysieke middelen beschermen”. De video eindigt met de boodschap: “De NDD geeft richting aan de inzet van de krijgsmacht”. En daarmee krijg je het gevoel dat dit boekwerk duidelijk zal maken hoe de militaire organisatie optreedt in geval van crises en oorlog; wanneer en hoe die fregatten, jachtvliegtuigen, pantservoertuigen, commando’s en (aankomende) cyber warriors worden ingezet om onze vrede te handhaven, dan wel te bevechten. Waarbij we toch ook weten dat er als gevolg van de veranderende veiligheidsconstellatie in en om Europa, opnieuw sprake is van nucleaire en biologische dreigingen. Dus wat gaan we doen als er onverhoopt kernwapens worden ingezet tegen Nederlandse troepen, of zelfs tegen militaire en civiele installaties?En hoe verdedigen we ons tegen de nieuwste wapensystemen, die door Rusland zijn gedemonstreerd of aangekondigd, maar die ook in China en landen als Noord-Korea en Iran worden ontwikkeld?

Start de video

Veertien jaren geleden, bij het uitkomen van de eerste versie van de (joint) NDD, heeft de Militaire Spectator een artikel gepubliceerd met een uitgebreide beschrijving van de relatief jonge geschiedenis van Nederlandse doctrine-voorschriften[1]. Hierin werd de defensiedoctrine gedefinieerd als “een strategische doctrinepublicatie die de leidraad vormt voor het militaire denken over gezamenlijke operaties van zee-, land- en luchtstrijdkrachten, maar ook voor zelfstandige operaties van een krijgsmachtdeel. Zij beschrijft de beste wijze van geïntegreerde inzet van de krijgsmachtdelen”. En ook: “Een defensiedoctrine voorziet in fundamentele uitgangspunten die sturing geven aan de inzet van strijdkrachten opdat de door de politieke leiding geformuleerde doelstellingen worden bereikt”. Dat klinkt redelijk concreet en geeft naar onze mening aan dat het geen document is voor de politieke leiding of – als hoogste stakeholder van onze krijgsmacht – de gewone burger van ons land. Het zou een document moeten zijn, waarin de militaire leiding en commandanten op enig niveau, namelijk met verantwoordelijkheid voor de (zelfstandige) inzet van militaire capaciteiten, richtlijnen voor die inzet worden gegeven. Geen tactische en technische aanwijzingen en ook geen opdrachten die tijdelijk en plaatselijk betekenis hebben. Maar wel praktische aanwijzingen, die het denken en doen bepalen tijdens de voorbereiding en uitvoering van militaire operaties. Zo verwacht je een beschrijving van de wijze waarop er internationale eenheden worden gevormd, vooral nu er met enkele landen steeds inniger wordt samengewerkt. En je verwacht belangrijke algemene principes, zoals: een commandant laat zijn mensen nooit gewond achter en zet zijn reserves in om zijn mensen te bevrijden, zelfs als dat betekent dat de opdracht daarmee in gevaar komt.

Direct na de inhoudsopgave bevat de NDD een citaat van de militaire denker Carl von Clausewitz. Dit citaat luidt als volgt: “Doctrine is een gids voor iedereen die met behulp van boeken vertrouwd wil raken met oorlog(voering); het zal zijn pad verlichten, de voortgang vergemakkelijken, helpt zijn oordeel te vormen en voorkomt dat hij afdwaalt. Doctrine is meer bedoeld om de geest van de toekomstige commandanten te vormen, of beter hem in de zelfvorming te leiden, en niet om hem te begeleiden op het slagveld”. Het is daarmee duidelijk: doctrine is bedoeld voor toekomstige commandanten!


[1] Luitenant-kolonel (KLu) dr. M. de Haas: “De Nederlandse Defensie Doctrine, Schakel tussen defensiebeleid en militaire inzet”, Militaire Spectator JRG 174, 11-2005, pag. 493 e.v.

De NDD zou richting geven aan de krijgsmacht (foto: Ministerie van Defensie)

Wat erin staat

De NDD 2019 heeft een inleiding, vier hoofdstukken en een literatuurlijst. De inleiding licht toe waarom er na de vorige editie, van 2013, een nieuwe uitgave is verschenen. Er wordt een uitgebreid historisch perspectief geschetst. Daarna volgen de doelstellingen, namelijk eenheid van opvatting (ook op tactisch niveau), leidend tot “handelen in de geest van de militaire organisatie in het algemeen en in de geest van de bevelvoerende commandant in het bijzonder” – en het zijn van een stuurmiddel voor – niet van! – de CDS. Vervolgens wordt iets gezegd over de relatie met de NAVO-doctrine en over transparantie naar “andere actoren die op enigerlei wijze betrokken zijn bij de missies van de krijgsmacht”. De inleiding licht ook de wijzigingen ten opzichte van de vorige editie toe, waarbij de begrippen hybrid threats en cyberspace speciale aandacht krijgen, naast begrippen als Joint, Interagency, Multinational and Public (JIMP) en het dimensiemodel. Onder het kopje ‘Doelgroepen’ wordt helder aangegeven dat deze doctrine “primair (is) bedoeld voor commandanten en staven op het militair-strategische, operationele en hogere tactische niveau”. De inleiding vervolgt met het onderwerp ‘Begripsbepaling’, waarin wordt vermeld: “Doctrine geeft richting aan het operationeel optreden. Het beschrijft grondslagen, uitgangspunten en randvoorwaarden voor militaire operaties op verschillende niveaus van militair optreden. Het adagium is ‘NAVO, tenzij’.” Vervolgens wordt duidelijk gemaakt dat dit het hoogste niveau van doctrine betreft, niveau 1, ‘How to think’. Niveau 2, waar deze publicatie dus niet over gaat, is onderverdeeld in functionele, thematische en domein-specifieke doctrine; overigens ook gericht op ‘How to think’. En dan is er nog een niveau 3 (gericht op ‘How to act’), waarmee handboeken, handleidingen, instructiekaarten, enzovoorts worden aangeduid. De inleiding eindigt met een toelichting op de hoofdstukindeling.


Hoofdstuk 1 is getiteld ‘De context van militair optreden’. De inleiding beslaat maar liefst ruim drie bladzijden, waarin wordt geschetst hoe Nederland zich heeft ontwikkeld sinds de zeventiende eeuw. Daarna volgen theoretische verhandelingen over hoe staten met elkaar omgaan, welke machtsmiddelen een staat ter beschikking staan en hoe deze machtsmiddelen – waar ‘Military’ er slechts één van is – kunnen worden ingezet. Het laatste deel van dit hoofdstuk gaat over het militaire machtsmiddel en beschrijft de verschillende niveaus, van politiek-strategisch, via militair-strategisch en operationeel naar tactisch en technisch. Hierbij vallen enkele onvolkomenheden op. De militair-strategische NAVO-commandant is inderdaad de Supreme Allied Commander Europe (SACEUR), maar die wordt niet bijgestaan door het Allied Command Operations (ACO), zoals ten onrechte vermeld. De staf van SACEUR is het Supreme Headquarters Allied Powers Europe (SHAPE). ACO en Allied Command Transformation (ACT) vormen samen de uitvoerende organisaties, met als grootste staven de (ook genoemde) Joint Forces Commands. En de vraag is waarom op deze plaats de admiraliteit Benelux en de staf van het Duits-Nederlandse legerkorps niet worden genoemd. Het zou toch handig zijn om ook hun rol en hun relatie met (andere) operationele en tactische organen te kunnen duiden.


‘Nederlands veiligheidsbeleid’ is de titel van hoofdstuk 2. Ook hierin weer een lang ‘historisch perspectief’; opnieuw drie bladzijden. Dan een korte alinea over onze internationale inbedding, gevolgd door vier pagina’s over het Nederlandse veiligheidsbeleid; met samenvattingen van de Geïntegreerde Buitenland- en Veiligheidsstrategie (GBVS) uit 2018 en de Defensienota, eveneens uit 2018. Gevolgd door twee bladzijden over de gevolgen van dit beleid voor de krijgsmacht. Hierin wordt benadrukt dat militaire operaties in een JIMP-omgeving plaatsvinden en dat er sprake moet zijn van “vertrouwen van het publiek en ondersteuning van legitimiteit op basis van consensus”.


Inmiddels zitten we op pagina 45, waarin hoofdstuk 3 wordt aangekondigd met als titel ‘De Krijgsmacht als instrument van de regering’. Opnieuw bijna drie pagina’s ‘historisch perspectief’. En de rest van dit hoofdstuk leest als een leerboek, met de volgende onderwerpen:

- Internationaalrechtelijk kader;

- Nationaalrechtelijk kader;

- Hoofdtaken;

- Besluitvorming over inzet;

- Rules of Engagement (ROE);

- Aansturing tijdens inzet.


Gelukkig is Nederland al sinds het midden van de vorige eeuw gevrijwaard gebleven van een gewelddadige bezetting van ons grondgebied en is de krijgsmacht al die tijd niet ingezet voor de nationale verdedigingstaak (eerste hoofdtaak). Maar mocht u het niet meer weten of beseffen: zo’n inzet valt niet onder artikel 100 van de Grondwet en hiervoor hoeft de regering dus geen parlementaire goedkeuring te vragen. Na lezing van dit hoofdstuk begrijpt u wel dat de politiek echt alle moeite gedaan heeft om de Nederlandse krijgsmacht af te houden van eigen initiatieven tot ‘ernstinzet’.

Internationale inbedding en NAVO - tenzij (foto: Ministerie van Defensie)

De kern

Bijna tot ergernis begint ook hoofdstuk 4, ‘Militair vermogen’, met drie bladzijden ‘historisch perspectief’. Komt daarna dan eindelijk een verhandeling over de grondbeginselen bij militair optreden? Een beschrijving van de legitieme handel- en strijdwijzen, waarmee tegenstanders – onze vijanden! – kunnen worden bestreden? Want je wordt benieuwd hoe dat in z’n werk gaat, laverend tussen alle rechtsregels en gedragsnormen. Welke beginselen helpen je, vooral als commandant, nu echt om de Nederlandse burgerij te vrijwaren van een boze agressor, die fysiek en mentaal moet worden aangepakt? In paragraaf 4.2 gaat het over ‘De componenten van militair vermogen’; nuttig, maar het blijft theorie die op de Nederlandse Defensie Academie al wordt ‘ingebakken’. Daarna volgt ‘Militair vermogen in de operationele omgeving’; opnieuw veel bekende stof, bovendien bij de onderwerpen ‘domein’, ‘het elektromagnetische spectrum’ en ‘het akoestische spectrum’ veel te abstract. Wat moet je nu met opmerkingen als “Via de hardware die zich op een fysieke locatie bevindt en de software creëren systemen en gebruikers data, netwerken en een virtuele identiteit (sociale-media profielen, telefoonnummers, mailadressen)”? Moet je nu wel of niet als commandant gebruik maken van Facebook en Twitter? Heeft het zin als hij of zij daar tijd aan besteedt? Wat zijn de voor- en nadelen?

De vertaling naar de militaire wereld wordt niet expliciet gemaakt

Hoofdstuk 4 vervolgt met een beschrijving van het zogenoemde dimensiemodel, waarin onderscheid wordt gemaakt naar fysiek, virtueel en cognitief. Dat is nuttig, want aan de hand hiervan kun je beredeneren dat fysieke en virtuele (niet-tastbare) objecten er weliswaar toe doen, maar dat de inzet van militaire capaciteiten uiteindelijk bedoeld is om het cognitieve domein te beïnvloeden; het gaat om het teweegbrengen van effecten in wil, perceptie en gedrag van een tegenstander, bevolking, etc. Aldus een prima stukje theorie, maar de vertaling naar de militaire wereld wordt niet expliciet gemaakt. Hier had bijvoorbeeld ook de relatie met gender kunnen worden gelegd; het feit dat vrouwelijke militairen in bepaalde situaties het verschil kunnen maken. Er volgt een verhandeling over ‘Gereedstelling als basis van militair vermogen’; niets nieuws onder de zon. Daarna, in paragraaf 4.5 (‘Inzet van militair vermogen’), eindelijk een overzicht van de grondbeginselen van militair optreden. Dit blijft echter een opsomming van termen met een korte toelichting, waarbij wordt vermeld: “De commandant bepaalt op basis van de situatie welke grondbeginselen op een bepaald moment doorslaggevend zijn”. Met andere woorden: soms is unity of effort van belang, of economy of effort, of offensive spirit. Maar niet altijd en je moet zelf maar uitzoeken wanneer een beginsel het best kan worden toegepast. O ja, aan het grondbeginsel ‘legitimiteit’ mag je niet tornen; dat is het enige dat altijd van toepassing is. Om maar duidelijk te maken dat er nooit en te nimmer een goede reden is om iets onrechtmatigs te doen. En wanneer mag er dan geschoten worden?


Die laatste vraag is eigenlijk niet interessant, als je bedenkt dat de ROE dat duidelijk maken en die worden voor de individuele soldaat afgedrukt op een handzaam instructiekaartje bij de start van elke missie of operatie. Wel interessant zijn de operational considerations, de factoren die elke commandant en zijn staf moeten overwegen in hun operational assessment, voorafgaand aan een besluit tot optreden. Uit de lange lijst met factoren (van credibility, via strategic communication, cyberspace operations en protection of civilians tot en met risk management) blijkt wel hoe complex de militaire besluitvorming tegenwoordig is. In het rijtje wordt trouwens wel het aspect gender perspective expliciet genoemd. De voorlaatste paragraaf van het hoofdstuk behandelt de functies van militair optreden. Hier geldt: ze zijn allemaal relevant en je kunt op voorhand niet zeggen welke functies nodig zijn om beslissend te zijn op het gevechtsveld of in de ruimte waarin wordt opgetreden.


Het allerlaatste deel van de NDD (paragraaf 4.5, pag. 85 – 95) vormt eigenlijk de kern van de publicatie. In de sub-paragraaf ‘Accenten’ worden drie doctrinaire beginselen weergegeven, waarin de toepassing van grondbeginselen tot z’n recht komt. Het gaat dan om de manoeuvrebenadering, opdrachtgerichte commandovoering en informatiegestuurd optreden. Maar als je ook wat achtergrondinformatie wilt hebben en enkele fundamentele begrippen van de krijgsmacht wil ‘snappen’, dan is het lezen van het hele vierde hoofdstuk aan te raden. De eerste drie hoofdstukken horen thuis in twee andere brochures: ‘De Nederlandse krijgsmacht in historisch perspectief’ en ‘De politiek achter onze krijgsmacht’.

De eerste hoofdtaak (foto: Ministerie van Defensie)

Kritische noten

De nieuwe NDD is jongstleden juni uitgekomen en heeft (tot het moment van schrijven van dit Vierkant Beschouwd) niet veel aandacht gekregen in de media. Dhr. Martin Broek heeft in juli in het blad ‘Joop’ voorzichtig gewaarschuwd voor het gevaar dat de krijgsmacht te veel vat zou kunnen krijgen op de media[2]. Hij signaleert dat de defensiedoctrine ‘informatie als machtsmiddel’ heeft omarmd en dat dit betekent dat de krijgsmacht de publieke opinie wenst te beïnvloeden. Hij stelt dat dit gevaarlijk kan zijn en wijst op het bekende optreden met zeer veel aandacht vanuit de media van de toenmalige Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken Colin Powell in de VN Veiligheidsraad waarmee het ‘bewijs’ werd geleverd dat in Irak Saddam Hoessein massavernietigingswapens tot zijn beschikking had. Kortom: de media moeten zich bewust zijn dat nu ook de Nederlandse krijgsmacht ervoor heeft gekozen om de media in te zetten voor haar eigen belangen. In het artikel hekelt Martin Broek ook de praktijk van embedded journalistiek en vraagt hij zich af welk antwoord de media op het gesignaleerde gevaar gaan formuleren. Je hoeft niet lang na te denken om het belang van beide partijen in te zien. Maar er is veel voor te zeggen om de rol van de media in de tegenwoordige wereld op hoge waarde te schatten. Ook al zie je vooral in de politieke omgeving de inzet van steeds meer spin doctors, de doctrine zegt er niets over, maar volgens ons moet een commandant zich niet door zo’n adviseur laten bijstaan.


[2] Martin Broek: “Media en de Defensie Doctrine”, publicatie in het blad “Joop” van BNNVara, dd. 8 juli 2019.

De nieuwe NDD bewijst vooral veel lippendienst aan de politieke leiding

Er is meer op te merken over dit document dat toch vooral veel lippendienst bewijst aan de politieke leiding. Het is tekenend dat het tot op driekwart van de publicatie alleen gaat over de verander(en)de veiligheidsomgeving, het veiligheidsbeleid en de politieke inbedding van de krijgsmacht. Heel veel theorie en achtergrondinformatie. Mooie woorden ook over hoe Defensie idealiter z’n taken kan uitvoeren. Zo staat in paragraaf 4.2 het één en ander over de mentale component, die samen met de fysieke component en de conceptuele component het militair vermogen vormen. Wat daar niet bij staat is dat de motivatie van het personeel drastisch vermindert als er lange tijd geen zicht is op goede arbeidsvoorwaarden. Die voorwaarden, zoals voldoende salaris, een reële vergoeding voor overwerk en een gegarandeerd pensioen, zijn niet eens vermeld; ook niet onder het kopje ‘Mensen’ in de deelparagraaf die gaat over de fysieke component.


Onder die fysieke component valt ook ‘Materieel’. Nu weten we dat er de laatste jaren sprake is van (grote) tekorten aan materieel en voorraden. Maar wat zegt de doctrine? Die stelt dat er vaak sprake is van uniek materieel en dat het belangrijk is om extra middelen beschikbaar te hebben, zodat uitval kan worden opgevangen. Niet eens genoemd is de stelregel dat je reserves aan moet houden om een beslissende slag te kunnen slaan. Het aanhouden van (eigen) reserves is echter tegenstrijdig aan de ‘moderne bedrijfsvoering’ die Defensie de afgelopen decennia rigoureus heeft ingevoerd. Het inbouwen van redundantie wordt dus wel aangeprezen, maar is helaas volstrekt niet in lijn met de huidige praktijk.


Eveneens als onderdeel van de fysieke component is een lange paragraaf opgenomen over standaardisatie en interoperabiliteit. In de eerste drie alinea’s wordt getracht deze termen te verklaren. Hier wreekt zich het gebrek aan kennis en inzicht in het gebruik van deze terminologie binnen de NAVO en in technische werkomgevingen. Met als resultaat dat je geen idee meer hebt wat precies met standaardisatie en interoperabiliteit wordt bedoeld. In de vierde alinea volgt een uitgebreide beschrijving van het ontstaan van het NATO Standardization Office; waarom eigenlijk? De afsluitende paragraaf geeft dan nog enkele voorbeelden van standaardisatie die weliswaar heel belangrijk zijn, denk aan operationele procedures en het gebruik van de Engelse taal, maar bij lange na niet voldoende om samen te werken in combined eenheden. Want de technische interoperabiliteit staat echt nog maar in de kinderschoenen. Zolang onze eigen mariniers en landmachteenheden, maar ook Duitse en Nederlandse eenheden, zijn voorzien van radio’s en battlefield management systems die niet met elkaar kunnen ‘praten’, is er geen mogelijkheid tot gezamenlijke, gemengde inzet op het moderne gevechtsveld.


De ontwikkeling van Europese militaire samenwerkingsverbanden vormt trouwens een heuse lacune in de NDD. In de afgelopen jaren is sprake van steeds nauwere samenwerking binnen Europa. Vooral de Nederlandse marine en landmacht gaan voor integratie met België en Duitsland. Maar hoe zit het dan met de Europese, Belgische en Duitse doctrines? Hebben we dezelfde grondbeginselen en principes bij militaire voorbereiding en inzet? En is er iets afgesproken over de politieke inbedding, wanneer combined eenheden een taak krijgen toegewezen buiten NAVO- of EU-verband? Want ze werken zich op als NATO Response Force brigade of EU Battle Group. Maar de doctrine zegt niets over de processen op politiek- en militair-strategisch niveau bij andere vormen van gecombineerde inzet.

De krijgsmacht als instrument van de regering (foto: Ministerie van Defensie)

Meer kritiek

Innovatie heeft in de nieuwe doctrine een plaats gekregen in de paragraaf ‘De conceptuele component’. Het is duidelijk dat dit wringt; er worden weliswaar twee alinea’s gewijd aan conceptuele innovatie, maar het is onvermijdelijk dat er een link wordt gelegd met de fysieke component. Dat gebeurt dan ook in de laatste alinea, waarin wordt toegegeven dat de krijgsmacht tegenwoordig veelal de volger is van innovaties uit de civiele sector. Wat daar niet staat, is dat het voor de krijgsmacht cruciaal is om het tempo van invoering van nieuwe spullen de komende tijd enorm op te voeren. Want het gaat te traag en dat heeft vooral te maken met die andere factor die hier niet eens wordt genoemd, namelijk de mentale component. Het gaat bij innovatie om het urgentiebesef om nieuwe middelen te gaan inzetten. Middelen waarmee je opeens tien keer sneller of beter bent dan je tegenstander. Of waarmee je de nieuwste technische snufjes van je opponent kunt neutraliseren of uitschakelen. Innovatie is dus bij uitstek een combinatie van fysiek, mentaal en conceptueel. Daar moet de organisatie zich naar gaan richten en je zou toch verwachten dat de doctrine dit duidelijk voorschrijft.

Cyber en space worden in de nieuwe doctrine als aparte domeinen behandeld. En er wordt gepleit voor een ‘multi-domein’ benadering, hoewel niet concreet wordt beschreven wat dit betekent voor de militaire organisatie en voor de componenten van militair vermogen. Moeten er andere middelen aangeschaft gaan worden? Is het belangrijker geworden om personeel tussen de domeinen, of eigenlijk de krijgsmachtdelen, uit te wisselen? En voor cyber is het de vraag wat nu eigenlijk de rol- en taakverdeling is tussen de centrale cybereenheden, met name het Defensie Cyber Commando (DCC) en het Defensie Cyber Support Centrum en de cyberelementen die bij de landmacht, luchtmacht en marine worden ingevoerd. Gaat Nederland cyber warriors inzetten en zo ja, wanneer en waartegen? Overigens is zojuist publiek gemaakt dat er een aparte doctrine is geschreven en vastgesteld voor cyberoperaties[3]. Deze publicatie hebben wij op het moment van schrijven van dit Vierkant Beschouwd echter nog niet kunnen inzien; wellicht is het gerubriceerd en wordt de lezerskring beperkt tot (bevoegd) defensiepersoneel.

Tot slot een onderwerp dat de laatste jaren steeds meer opkomt en waar elke krijgsmacht mee geconfronteerd zal worden, namelijk killer robots. Het is evident dat ze er gaan komen. De vraag is dan hoe de Nederlandse krijgsmacht ermee omgaat. En hoe de hiermee gepaard gaande ethische dilemma’s worden behandeld. Wij vinden het zonder meer een gemiste kans dat de nieuwe defensiedoctrine daarover zwijgt. Zoals deze dus ook zwijgt over de maatregelen tegen de nieuwste wapensystemen van potentiële opponenten, inbegrepen hun nucleaire en biologische wapens; en tevens over de mogelijke inzet hiervan door onszelf of coalitiegenoten.


[3] Volgens een kort interview met Commandant DCC, commodore Elanor Boekholt-O’Sullivan, in Intercom, Jaargang 48, nummer 2 (pag. 37).

Wie hebben er echt iets aan?

Doet deze doctrine recht aan wat ze beoogt te zijn, namelijk een richtlijn voor commandanten en beleidsmakers voor gewapende, militaire inzet? Kan een commandant (van pelotons- tot en met brigadeniveau) hieruit afleiden hoe hij of zij moet handelen bij een gewapend conflict met een tegenstander die zich bedient van de Russische of Amerikaanse manier van oorlogvoering? Het uitgebreide antwoord hebben we hierboven gegeven. Het korte antwoord is tweemaal nee.


Voor buitenstaanders is de NDD een goed gestructureerd document met veel wetenswaardigheden over de inbedding van de krijgsmacht in het politieke bestel. Al lezend ga je begrijpen dat de Nederlandse politiek in z’n algemeen en de minister en staatssecretaris van Defensie in het bijzonder een hele klus hebben aan de controle en aansturing van het militaire apparaat. Omdat het voor de gewone Nederlander al zo lang geleden is dat we daadwerkelijk in oorlogsomstandigheden verkeerden, we vieren dit en het volgend jaar 75 jaar bevrijding, is de ‘militaire wereld’ ook nogal abstract geworden. Deze publicatie slaagt er onzes inziens echter niet in om ‘meer beeld en geluid’ op te roepen. Dat is eigenlijk ook niet de bedoeling van de doctrine, maar de consequentie is wel dat er geen aandacht voor is in de media.


Helaas biedt de nieuwe Nederlandse defensiedoctrine weinig handvatten voor oorlogvoering in de huidige tijd. Het is een uiterst politiek-correct document, waarin de huidige staat van de krijgsmacht doorklinkt: een organisatie die als één van de politieke instrumenten wordt beschouwd en die men liever niet als ‘leeuw’ kan en wil laten optreden. Ko Colijn heeft onlangs in een essay dat zich afspeelt in 2030[4] gepleit voor een zogenaamde romp-EU, een hecht samenwerkingsverband van de noordwestelijke EU-landen met Frankrijk, Spanje en Portugal. Deze romp-EU “moet inzetten op een profiel van economische en niet zozeer militaire macht”. Maar waarbij het “wel moet (…) kunnen schuilen onder de voorheen Franse nucleaire force de frappe ter afschrikking”. Zijn ideaal omschrijft hij als volgt: “Europa kiest voor het profiel van een vriendelijke egel – geen haas of leeuw”. De NDD lijkt dit beeld zowaar te bevestigen, dus wellicht krijgt Colijn gelijk – en nog eerder dan hij dacht!


[4] Ko Colijn: Europa: een egeltje tussen de leeuwen, een artikel uit de serie Opinie uit de toekomst, NRC, dd. 17 augustus 2019.

Informatiegestuurd otreden (foto: Ministerie van Defensie)

Wat heeft Bauer dan toch bedoeld?

Wij menen inmiddels te weten waarom luitenant-admiraal Bauer zich zo multi-interpretabel over de nieuwe doctrine heeft uitgedrukt: het document beantwoordt volledig aan de politieke wensen, maar richtinggevend voor operationeel optreden is het gewoonweg niet. Of, naar Von Clausewitz: met deze doctrine wordt voor commandanten het pad nauwelijks beter verlicht.

Redactie