Pensioenen

door: Martin Weusthuis

Tussenstand nieuw pensioenstelsel

Op het moment dat dit Prodef bulletin bij u op de mat ploft, zijn de achterbannen van de sociale partners een tweede keer geconsulteerd en ligt er hopelijk een duidelijker antwoord dan na eerste raadpleging. Onderstaande geeft een overzicht van de situatie vlak na de eerste consultatie.

Het nieuwe pensioenmodel lijkt een interessant model nu berekeningen van het CPB en een aantal pensioenfondsen uitkomen op goede vervangingswaarden (huidig inkomen / pensioeninkomen) die uitwijzen dat indexatie regelmatig zal kunnen plaatsvinden. Maar het nieuwe pensioenstelsel werd de eerste keer aangeboden als een mooi instrumenteel verhaal, echter zonder duidelijkheid over de werking van de onderdelen en het werd aangebonden als een package deal, d.w.z. inclusief een aantal onderdelen over bijv. de AOW-leeftijd, ZZP-pensioenen en vroegpensioen voor zware beroepen, de zgn. bijzettafel. De Centrale voor middelbare en hogere functionarissen (CMHF) waarbij uw GOV|MHB is aangesloten, oordeelde wel positief over de bijzettafel, maar kon simpelweg geen oordeel vellen over het nieuwe pensioenmodel omdat er nauwelijks informatie was geleverd over de werking en de uiteindelijke pensioenresultaten van dat nieuwe model. Zo worden er bijv. meerdere projectierendementen gehanteerd met een soms andere rol dan de rekenrentes in het huidige stelsel, maar het werd niet duidelijk hoe en hoe hoog die projectierendementen worden vastgesteld.

Compensatie

Bovendien was aan het begin van de discussie duidelijk afgesproken dat de pensioenschade die opgelopen wordt door de overgang naar het degressieve pensioensysteem, gecompenseerd zou worden. Bij de eerste consultatie bleek daar onvoldoende van. Zowel bij pensioenfondsen zonder buffer vanwege een lage dekkingsgraad, als bij pensioenuitvoerders die een premieregeling uitvoeren en helemaal geen buffer kennen, was de tegenstand groot. De VCP, dat is de vakcentrale die samen met CNV en FNV de onderhandelingen voerde namens de CMHF, oordeelde uiteindelijk in overeenstemming met het CMHF-advies als volgt.

Begin citaat

“VCP zegt geen ja tegen uitwerking Pensioenakkoord".

De VCP zegt geen ja, maar ook geen nee tegen de uitwerking van het Pensioenakkoord. Ondanks kansrijke onderdelen, zoals het nieuwe pensioencontract, heeft de VCP grote zorgen rond de compensatie van de zogeheten doorsneesystematiek. De VCP vraagt de minister de details in de uitwerking van de hoofdlijnennota nu naar de Tweede Kamer te sturen en roept de politiek op tot een breed gedragen oplossing te komen. Dat is de uitkomst van een bijeenkomst van het Algemeen Bestuur van de VCP, na raadpleging van de aangesloten organisaties. Bij de VCP zijn onder meer CMHF, HZC en De Unie aangesloten.

Procesgang

De VCP heeft ook grote moeite met de manier waarop het proces is gelopen. Het steekt de VCP dat er nauwelijks gelegenheid is geboden voor een fatsoenlijke consultatie, zonder dat precieze uitwerking beschikbaar was. “Onze leden weten niet tegen welke verborgen gebreken ze kunnen aanlopen, wanneer zij in 4 werkdagen een uitwerking van een pensioenstelsel van de toekomst moeten beoordelen op basis van slechts enkele pagina’s informatie. Onze achterban voelt zich geschoffeerd. Dit traject is op deze wijze niet voor herhaling vatbaar”, zegt de VCP vicevoorzitter.

Einde citaat

Andere compensatie

De compensatie kent nog een tweede dimensie voor vooral de oudere deelnemer en de reeds gepensioneerde. De CBS-berekeningen voorspellen voor de jongere deelnemer in het nieuwe stelsel hoge vervangingswaarden en een mooi pensioenresultaat, maar oudere actieven en gepensioneerden die kortere tijd in dat nieuwe stelsel te gaan hebben, plukken daar minder de vruchten van. Het is de bedoeling dat ook de gepensioneerde mee overgaat naar het nieuwe stelsel. De ouderenorganisaties hebben reeds voorzichtig positief gereageerd op het pensioenplan, vanwege het te gebruiken projectierendement en daarmee het perspectief op indexatie, maar melden de minister dat er een tussentijdse oplossing moet komen voor de overgangsperiode naar het nieuwe stelsel waarin het huidige FTK nog geldt. Nog een periode van minimaal 5 jaar zonder indexatie en misschien zelfs kortingen waardoor gepensioneerden na 15 jaar niet indexeren een derde van hun koopkracht kwijt zijn, is teveel van het slechte. Dit gaat nog een belangrijk punt worden. U kent het standpunt van uw bond: Er is geen enkele reden tot korten, het tekort wordt gecreëerd door de verplichte risicovrije rente in het FTK. En de toezegging van de minister tot nu toe om alleen in 2021 niet te korten als de dekkingsgraad boven de 90% uitkomt, en over de jaren daarna met een ingroeipad naar het nieuwe stelsel te werken, is te mager. Blijven er dan toch nog 4 jaren over waarin wel kan worden gekort?

Invaren

De bedoeling is dat het nieuwe stelsel verplicht een inclusief stelsel wordt voor alle deelnemers, inclusief gepensioneerden. De bedoeling was dit in de wet vast te leggen. Het voordeel daarvan is dat alle pensioendeelnemers in Nederland onder hetzelfde pensioenregiem vallen, en dat niet bijv. gepensioneerden in het oude stelsel met ‘gegarandeerde’ pensioenrechten achter blijven terwijl jongeren in het nieuwe stelsel een volatiel pensioenvermogen opbouwen. Op die manier wordt de kracht van het beleggen van dat ene grote vermogen verbroken, worden deelnemers in hetzelfde fonds in hetzelfde jaar met verschillende indexaties en kortingen geconfronteerd, en moeten pensioenfondsen twee verschillende regelingen (kostenverhogend) uitvoeren. Dat is ‘em niet helemaal geworden. Dat durfde minister Koolmees vanwege het claimrisico klaarblijkelijk niet aan. Het plan gaat nu uit van een ‘standaardpad’ van invaren, d.w.z. reeds bestaande aanspraken en rechten worden in beginsel voor iedereen omgezet, met de mogelijkheid voor een pensioenfonds om daarvan gemotiveerd af te wijken. Sociale partners binnen het pensioenfonds maken voor dat invaren een ‘transitieplan’. Daarin bepalen zij welke contractvorm (pensioenregeling) ze kiezen, of ze wel of niet invaren, en zo ja, volgens welke methode er ingevaren wordt. Het Verantwoordingsorgaan krijgt een versterkt collectief bezwaarrecht. Wat dat inhoudt moet nog blijken. Hoe dat dan juridisch uitwerkt voor een fonds in de zin van de (individuele) bezwaarmogelijkheid van bijv. een gepensioneerde of een gepensioneerdenorganisatie die zich tegen invaren uitspreken, wordt uit de Hoofdlijnennotitie niet duidelijk en pensioenjuristen zetten hun vraagtekens.

Keuze tussen twee nieuwe contractvormen

Het pensioenplan gaat uit van twee nieuwe contractvormen, d.w.z. pensioenuitvoeringsregelingen. Er kan gekozen worden voor de zgn. verbeterde premieregeling waarin tussen actieven en gepensioneerden meer risico’s kunnen worden gedeeld dan in de huidige wettelijke premieregeling, maar waarbij wel echt sprake is van een individueel pensioenkapitaal en de inkoop van een pensioen vanuit die individuele pot vanaf pensioendatum. Dit lijkt de oplossing te gaan worden voor veel van de hedendaagse individuele pensioenregelingen die door verzekeraars worden aangeboden. Daarnaast is er het zgn. nieuwe contract dat de voorkeur heeft van sociale partners betrokken bij pensioenfondsen zoals het ABP. In het nieuwe contract bouwt iedere deelnemer een ‘persoonlijk gereserveerd vermogen’ op binnen een collectief belegd fonds. Het nieuwe contract gaat uit van maximale risico-/rendementsdeling binnen één groot ongedeeld belegd vermogen waarbij de rendementen leeftijdgewijs worden toebedeeld aan de persoonlijke pensioenvermogens. Zo kan bijv. een groter deel van een negatief rendement worden toebedeeld aan het pensioenvermogen van een jongere deelnemer omdat hij een groter risico kan dragen gezien zijn langere beleggingshorizon. Daar tegenover staat dat een jongere bij een positief rendement ook meer rendement aangemeten kan krijgen.

De gedachte is dat gepensioneerden vanuit een zekerheidsgedachte en vanwege hun kortere levensverwachting meer gebaat zijn bij kleinere fluctuaties in hun pensioen, en zowel bij een positief als een negatief rendement een kleiner rendement en een kleinere korting en het liefst geen korting aan hun broek krijgen. De regels over deze risicodeling moeten door sociale partners binnen de pensioenfondsen verder worden uit onderhandeld en van te voren transparant worden vastgelegd. Over die toedeling van risico, d.w.z. van rendementen, wordt verschillend gedacht, zeker ook door gepensioneerden.

Solidariteitsreserve

Onderdeel van dat collectieve vermogen is de zgn. solidariteitsreserve, een sterke wens van de bonden met het oog op de intergenerationele solidariteit. Dit is een stuk niet individueel toebedeeld vermogen, dat niet zoals nu de FTK-buffer, functioneert is als ‘dood geld’ dat er zou moeten zijn voor zekerheidsdoeleinden. Het is een vermogensdeel dat gebruikt wordt om de intergenerationele solidariteit uit te balanceren, wordt ingezet als bijv. één generatie door financieel-economische ontwikkelingen een pechgeneratie dreigt te gaan worden en is daarmee bedoeld als werkend geld. De reserve wordt gevuld vanuit maximaal 10% van de premie en overrendement, mag niet groter zijn dan 15% van het totale vermogen en mag niet negatief zijn. Volgens het CPB vergroot de reserve het draagvlak voor de risicodeling, d.w.z. de toedeling van rendementen, en leidt het tot een beter pensioenresultaat voor alle deelnemers. Ook hier gaan sociale partners de regels over de verdeling binnen de fondsen nog uit onderhandelen en van te voren transparant vastleggen.

Het persoonlijk vermogen

Iedere deelnemer krijgt dus een eigen stuk gereserveerd vermogen dat wordt gevuld door de zelf (samen met de werkgever) ingelegde premie, door het toebedeelde rendement op het collectieve vermogen en door eventueel een bijdrage uit de solidariteitsreserve. De deelnemer kan (zoals dat nu ook al kan) bij het ABP dat gereserveerde vermogen in MijnABP op ieder moment van dag en nacht bezien. Daarnaast krijgt de deelnemer een verwachting voorgeschoteld van zijn toekomstig pensioen. In het nieuwe systeem is geen sprake meer van een balans met aan de activakant het pensioenvermogen en aan de passivakant pensioenaanspraken en pensioenrechten en een dekkingsgraad. Er is enkel sprake van een pensioenvermogen en een schatting van het toekomstig pensioen. Op basis van de hoogte van dat persoonlijke vermogen en drie scenario’s met gemiddelde, hogere en lagere toekomstverwachtingen, worden inschattingen gegeven van het te verwachten pensioen. Het pensioen wordt uiteindelijk uitgekeerd vanuit dat persoonlijke vermogen. Bij de berekening van de levenslange uitkering van dat pensioen wordt gerekend met een projectierendement, een rendement op dat individuele vermogen dat naar verwachting wordt behaald gedurende de uitkeringsperiode. In de hoogte van dat rendement is het langleven risico al opgenomen. Het pensioen wordt dus altijd levenslang uitgekeerd. Bij een dalende beurs is er kans op een dalend pensioen. Kortingen kunnen weer worden uitgesmeerd over een aantal jaren. Het is op dit moment nog onduidelijk in hoeverre de gepensioneerde zelf kan besluiten over de hoogte van het te gebruiken projectierendement en of het mogelijk is om te komen tot een gegarandeerd pensioen.

Epiloog

Op het moment van schrijven kwam meer informatie binnen over het nieuwe pensioenstelsel. Dat kon helaas niet meer betrokken worden in dit verhaal. Wat mij nog bezighoudt is hoe precies het verschil uitpakt tussen de individuele pensioenpot in de verbeterde premieregeling en het persoonlijk pensioenvermogen in het nieuwe contract. Hoe individueel is een persoonlijk pensioenvermogen? Zo individueel dat de politiek straks kan zeggen: “Kijk geachte pensioendeelnemer, uw zorgkosten of de klimaatkosten rijzen de pan uit en u heeft nog een individueel aanwijsbaar pensioenkapitaal achter de hand”?

. r.