Pensioenen

door: Martin Weusthuis

Rekenrente en dekkingsgraad

Het ABP-bestuur verlaagt de komende jaren in stappen de rekenrente waarmee de pensioenpremie wordt vastgesteld. De pensioenpremie is de prijs die betaald wordt voor de inkoop van de zogenoemde pensioenaanspraak. Bij de berekening van de hoogte van de te betalen pensioenpremie wordt rekening gehouden met een verwacht rendement over die premie in de toekomst.

Voor de deelnemer wordt ieder jaar een stuk pensioenaanspraak ingekocht. Voor het ABP in 2020 geldt dat een deelnemer die full time werkt met een jaarinkomen van € 60.000,- in 2020 bij het ABP een pensioenaanspraak opbouwt van € 889,- en daarvoor een premie betaalt van € 11.404,- (werkgever 70% / werknemer 30%). Met die 11.404 euro krijgt hij een pensioenaanspraak op een levenslange uitbetaling van 889 euro per jaar vanaf pensioendatum. Die € 11.404,- premie in 2020 is berekend bij een rekenrente van 2,8%. Dat wil zeggen dat het ABP-bestuur verwacht over die premie in 2020 en in toekomst 2,8% rendement te behalen, zodat op pensioendatum die € 889,- ook daadwerkelijk kan worden uitbetaald. U begrijpt dat aanpassing van de rekenrente leidt tot aanpassing van de premie. Vanaf 2023 gaat het ABP-bestuur uit van een voorzichtiger rekenrente van 2,0%. Het ABP-bestuur stelt het volgende: “Over de afgelopen 20 jaar behaalde ABP een gemiddeld rendement van ongeveer 7% op jaarbasis. Door de aanhoudend lage rente, verwachten we dat het rendement op onze beleggingen de komende jaren gemiddeld circa 4% zal zijn.” En aangezien uw pensioen niets anders is dan de optelsom van premie en rendement, stijgt de premie.

Het ABP-bestuur denkt dus dat aan de inkomstenkant, bij het bepalen van de hoogte van de premie, 2% rekenrente voldoende is om op pensioendatum het beloofde pensioen uit te kunnen betalen. En het ABP-bestuur kan die 2% hanteren omdat het daar enige discretionaire bevoegdheid heeft. Aan de uitgavenkant echter, bij de berekening van de uit te betalen pensioenen, is het ABP gehouden aan de door DNB opgelegde rekenrente. En DNB vindt 2% momenteel een te hoog rendement. DNB vindt dat je voor de berekening van de in de toekomst uit te betalen reeds ingekochte pensioenaanspraken moet uitgaan van een andere rekenrente, afgeleid van de zgn. risicovrije rente (de rente die wordt betaald op een schuld die met de grootst mogelijke zekerheid terug wordt betaald). Die rekenrente komt al enige tijd niet verder dan een stand ver beneden de 1%. In de grafiek ziet u hoe de rts (incl. ufr) en de dekkingsgraad van het ABP vanaf 2004 zijn verlopen. Door de coronacrisis is de actuele dekkingsgraad per eind mei 2020 gedaald tot 84,5%. Het ABP-bestuur gaat dus uit van 4% algemeen rendement op het vermogen de komende jaren. De commissie parameters (cie Dijsselbloem), die onlangs de minister van SZW adviseerde over de aan te nemen financiële waarden waarvan pensioenfondsen de komende vijf jaren moeten uitgaan (2021-2026), komt op basis van historische en wetenschappelijke data in combinatie met de huidige lage rente, ook uit op verlaagde maximale rendementen de komende vijf jaar. De cie Dijsselbloem gaat uit van ruim 4% algemeen rendement.

De discretionaire bevoegdheid van het ABPbestuur bij het bepalen van de rekenrente voor de berekening van de premie, gaat niet verder dan de bovengrenzen die de cie parameters aangeeft. Het ABP-bestuur is prudent en komt vanuit die aangenomen 4% rendement met aftrek van 2% inflatie uit op 2% (reële) rekenrente voor het bepalen van de hoogte van de premie. En bij het bepalen van de hoogte van de pensioenbetalingen aan de uitgavenkant, verplicht DNB datzelfde fonds om te rekenen met de risicovrije rts van 0,3% (eind mei 2020). Aan de uitgavenkant mag blijkbaar totaal geen rekening worden gehouden met een te verwachten voorzichtig rendement. Vreemd, het gaat toch over hetzelfde geld? Laten we bezien hoe hoog de dekkingsgraad zou zijn geweest als we bij het berekenen van de toekomstige pensioenbetalingen uitgaan van die voorzichtige 2% rekenrente. Daarbij gaan we er van uit dat 1%-punt wijziging rekenrente per saldo overeenkomt met 14%-punt wijziging dekkingsgraad, want dat is voor het ABP momenteel de realiteit. In de eerste grafiek ziet u dat ergens in 2014 de rts onder de 2% schiet. In onderstaande grafiek zetten we vanaf dat moment de rekenrente vast op 2%. U ziet dat de dekkingsgraad na 2014 op basis van die rekenrente van 2% zich beweegt tussen de 102% en 116%. De lijn van de dekkingsgraad vanaf 2014 is een realistische benadering, maar geen wiskundige zekerheid. Zo is in eerdere jaren de verhouding rekenrente en dekkingsgraad niet 1:14 maar 1:12, en zo komt de dekkingsgraad alleen in 2019 uit boven de 110% (nl. 116%), de grens waarboven kan worden geïndexeerd. Als er gedeeltelijk zou zijn geïndexeerd, dan zou de dekkingsgraad in 2020 iets lager liggen.

Standpunt GOV|MHB

Het nieuwe pensioenstelsel is er nog niet en wordt verwacht in 2026 in werking te treden. Tot die tijd zitten we met het huidige FTK. De GOV|MHB is daarom van mening dat als in het huidige stelsel het ABPbestuur 2% een prudente rekenrente vindt om een pensioenaanspraak in te kopen en uit te kunnen betalen op pensioendatum, dan is diezelfde 2% ook prudent genoeg voor de berekening van de reeds ingekochte toekomstige pensioenbetalingen. En om de nodige rust te behouden, vragen wij niet om een snelle noodmaatregel die uitgevaardigd werd rond de laatste jaarwisseling, maar wij willen bestendig beleid. Daar vragen onze leden en alle gepensioneerden om. Juist in een crisistijd kan de langjarige collectieve solidaire financiële opzet van een pensioenfonds zijn meerwaarde laten zien. Pensioenfondsen beleggen op de lange termijn. Daarbij past een rekenrente die prudent rekening houdt met beleggingsrendementen op lange termijn. Dat geeft maatschappelijke rust en die is ook belangrijk, zeker in deze coronatijden. Dus minister Koolmees, de GOV|MHB roept u op in het belang van de gepensioneerden en actieven die vertrouwen willen hebben en houden in hun pensioenfonds, in het belang van een goed functionerende economie zonder verlies aan koopkracht en in het belang van een maatschappij zonder Malieveld-strubbelingen, nog eens te kijken naar die rekenrente. De verwachting is dat het nieuwe pensioenstelsel vanaf 2026 veel meer de gelegenheid biedt tot indexatie. Het zou dan vreemd zijn om tot die tijd, onder het huidige FTK, helemaal niet te indexeren en zelfs te korten. Bovendien werkt een hogere rekenrente als Haarlemmer olie bij de invoer van uw nieuwe pensioenstelsel. Gecreëerde tekorten als gevolg van gebruik van de rts verminderen, invaren wordt voor iedereen interessanter en compensatiemaatregelen kunnen worden uitbetaald. Dat komt het vertrouwen in de Nederlandse pensioenen en de invoer van uw nieuwe pensioenstelsel bepaald ten goede.

. r.