HISTORIE

De Vought F-8 Crusader

Last of the Gunfighters

LKOL B.D. P. DEKKERS

De ontwerpers en bouwers van militaire vliegtuigen in de jaren vijftig en zestig stonden voor grote aerodynamische uitdagingen. Enerzijds was daar de race naar steeds hogere snelheden, waarbij Mach 2, twee keer de geluidssnelheid, min of meer de norm begon te worden. Anderzijds was daar het verenigen van die hoge eindsnelheid met een nog acceptabele landingssnelheid, om de lengte van start- en landingsbanen beperkt te houden tot maximaal drie kilometer. In die tijd bestond de Amerikaanse (militaire) vliegtuigindustrie nog uit een groot aantal verschillende bedrijven en ontwerpbureaus. De meeste hadden zich min of meer gespecialiseerd om ontwerpen voor hetzij de luchtmacht (US Air Force -USAF) of de marine (US Navy, USN) en de mariniers (US Marine Corps, USMC) te produceren. Zo was Vought, naast Grumman, een van de grootste vliegtuigbouwers voor de USN. Voor gebruik op vliegdekschepen, waar met ruimte gewoekerd moest worden, was een korte landingsuitloop van nog groter belang dan bij vliegtuigen voor de luchtmacht, waar op de op land gelegen bases in de Verenigde Staten (VS) altijd wel ruimte te vinden was om de start- en landingsbanen te verlengen. Fabrikanten van voor de marine bestemde vliegtuigen kwamen daarom met de meest creatieve oplossingen om een zo laag mogelijke landingssnelheid te bereiken, maar de Amerikaanse vliegtuigbouwer Vought, later Ling-Temco-Vought, kwam met wat wel een bijzonder creatieve oplossing was bij de F-8U Crusader, de air defender van de Amerikaanse vloot van de jaren zestig en zeventig.

Ontwerp

Vleugelontwerpen zijn natuurlijk per definitie een compromis om aan alle mogelijke eisen te kunnen voldoen. Zo had Lockheed zijn kaarten bij het ontwerp van de F-104 (de Starfighter) gezet op een kleine maar messcherpe vleugel, optimaal voor de zeer hoge snelheden die met dit vliegtuig bereikt konden worden. Om echter nog een enigszins acceptabele landingssnelheid te bereiken was het toestel voorzien van aangeblazen vleugelkleppen aan de achterzijde (boundary layer control, BLC of ook wel grenslaag-afzuiging genaamd). Hierbij werd lucht van de turbine afgetapt en bij volledige uitslag van de landingskleppen (land flaps) over deze kleppen geleid. Een tamelijk gecompliceerde constructie die zeker in het begin van de loopbaan van dit vliegtuig meer dan eens voor problemen zorgde. De afstelling van het systeem luisterde namelijk erg nauw om te voorkomen dat het vliegtuig bij lagere snelheden ongewenste rolneigingen zou krijgen. Desondanks was vrijwel altijd toch nog het gebruik van een remparachute nodig om na de landing bijtijds tot stilstand te komen. Dezelfde techniek werd ook toegepast bij de McDonnell-Douglas F-4 Phantom. Een andere vaak geziene oplossing was de deltavleugel; deze constructie had een aantal voordelen, groot vleugeloppervlak, de goede manoeuvreerbaarheid, maar een groot nadeel was de hoge invalshoek in de landingsconfiguratie die het uitzicht bemoeilijkte. Bij de Nederlandse NF-5, die in de oorlogsconfiguratie kampte met het probleem van een te lange startaanloop, had men geprobeerd dit probleem op te lossen door de neuspoot verstelbaar in hoogte te maken. Voor het gebruik op vliegdekschepen was de beperkende factor dat de ‘landingsbaan’ uitzonderlijk kort was, onder een hoek op de vaarrichting was geplaatst en het schip op volle snelheid een koers tegen de wind in moest varen. Aan de stuurmanskunsten van de vlieger werden dan ook hoge eisen gesteld en een succesvolle trap was nog een flinke uitdaging aan het einde van een soms langdurige missie. Om de vlieger van een Crusader in de landingsfase een goed uitzicht en daarbij toch een acceptabele landingssnelheid te bieden hadden de ontwerpers het vliegtuig voorzien van een verstelbare vleugel. Niet qua pijlstelling, zoals bij de latere F-111, F-14 en (in Europa) de Panavia Tornado, maar qua invalshoek. Voor de landing kon de hooggeplaatste vleugel 90 omhoog worden gekanteld waardoor bij de aanvliegsnelheid het vliegtuig een min of meer horizontale stand had. De hoge invalshoek bij lage snelheden van een vliegtuig met deltavleugel belemmert het voorwaartse uitzicht van de vlieger, waardoor het aanvliegen van de bewegende postzegel die het landingsterrein van een vliegdekschip voor de vlieger verhoudingsgewijs is, een hachelijke zaak wordt .

Een Franse F-8E in de kabel op het dek van de Amerikaanse carrier USS Eisenhower

Crusader tijdens de landing. Zonder verstelbare vleugel had het vliegtuig een hogere neusstand gehad

Bewapening en operationele inzet

Als primaire bewapening voor de Crusader koos fabrikant Vought voor een viertal 20 mm Colt kanonnen. Dit pakket werd in eerste instantie nog aangevuld met 32 ongeleide 2.75 inch raketten. Ook was er nog de mogelijkheid om twee AIM-9 Sidewinder luchtdoelraketten mee te voeren. De reden dat voor de 20 mm kanonnen als primaire luchtdoelbewapening werd gekozen, was dat ten tijde van de ontwikkeling van de Crusader de hittegeleide Sidewinders nog in de kinderschoenen stonden. Deze waren weinig betrouwbaar en het lanceren van een AIM-9 was aan allerlei beperkingen gehouden. De latere praktijk in Vietnam liet echter een ander beeld zien; de 20 mm kanonnen waren weinig betrouwbaar of trefzeker en bijna alle 19 air to air overwinningen op Noord-Vietnamese MiG’s werden gescoord met de AIM-9. Met de guns werd niet meer dan een viertal overwinningen geboekt. Overigens was het de verdienste van de Crusader dat de kill ratio de hoogste was van alle in Vietnam ingezette Amerikaanse jachtvliegtuigen. Niet meer dan drie Crusaders werden door Noord-Vietnamese MiG-vliegers neergehaald in een luchtgevecht. In totaal werden er tussen 1955 en 1964 1219 Crusaders in alle varianten gebouwd. De laatste overgebleven exemplaren werden bij de USN in 1976 buiten dienst gesteld.

Werd de grote meerderheid van de F-8 met wisselend succes ingezet als jachtvliegtuig boven Vietnam, er was nog een andere variant die grote bekendheid kreeg. Al in de beginperiode werd er een fotoverkenningsversie ontwikkeld, de RF-8. In oktober 1962 werden deze ongewapende vliegtuigen ingezet voor verkenningsvluchten boven Cuba en zij keerden terug met de eerste opzienbarende foto’s die bewezen dat de Sovjet-Unie bezig was ballistische raketten met kernkoppen op het eiland te installeren. Deze gebeurtenis markeerde de eerste operationele inzet van het vliegtuig. Gedurende zes weken vlogen drie squadrons RF-8 dagelijks vanaf Key West over Cuba om de opbouw, en later de ontmanteling van de Russische raketten in beeld te brengen. In 1965 waren het de Crusaders die vanaf de Amerikaanse vloot opererend voor het eerst de strijd aanbonden met de luchtmacht van Noord-Vietnam boven de Golf van Tonkin.

Verdere ontwikkeling

Als laatste doorontwikkeling in de luchtverdedigingsrol van de Crusader gold de XF-8U III versie, een vrijwel geheel nieuw ontwerp met sterkere motoren, die in theorie Mach 2.6 en mogelijk zelfs Mach 3.0 zou kunnen bereiken. Dit vliegtuig zou over een verbeterde all weather capability moeten beschikken en langer in de lucht kunnen blijven. Als bewapening zou deze superversie de beschikking krijgen over vier Sidewinder infrarood raketten en drie Sparrow radargeleide raketten. In de concurrentiestrijd voor de nieuwe vliegtuigorders moest deze F-8U III het echter afleggen tegen de zwaardere en duurdere F-4 Phantom van McDonnell-Douglas. Mogelijk dat deze laatste de voorkeur kreeg omdat ook de USAF belangstelling had voor dit type en de mogelijkheden tot verdere ontwikkeling daarom groter waren; bijvoorbeeld voor de inzet als jachtbommenwerper en als bestrijder van vijandelijke luchtverdedigingsinstallaties, de Wild Weasel operaties.

Een F-8E van de Marines na de landing op Da Nang (1966)

Een andere doorontwikkeling van de Crusader was de creatie van een lichte aanvalsjager voor de marine, de A-7 Corsair II. Een uiterlijk sterk op de Crusader gelijkend vliegtuig, maar zonder de karakteristieke vleugel, een motor zonder nabrander maar met meerdere ophangpunten voor bommen onder de vleugel. Het vliegtuig werd in grote aantallen ingezet boven Vietnam en bleek zo succesvol dat ook de luchtmacht een groot aantal A-7’s bestelde voor de reguliere luchtmacht en de reservisten van de Air National Guard (ANG). Tot in de vroege jaren negentig had de Corsair bij de USAF nog een bescheiden rol als dekmantel voor de destijds top secret F-117, het eerste operationele vliegtuig met stealth eigenschappen. Ook Europese klanten werden bediend met de A-7, zoals Portugal en Griekenland. Laatstgenoemd land bleef zelfs tot in de 21e eeuw doorvliegen met de inmiddels stokoude Corsairs. In Nederland is de A-7 ook nog enige tijd in beeld geweest als kandidaat voor de opvolging van de F-84F eind jaren zestig. Uiteindelijk viel de keuze op de in Canada gebouwde, van Nederlandse modificaties voorziene F-5A/B, die hier verder als NF-5A/B door het leven zou gaan. Ofschoon de A-7 beter zou hebben gepast in de rol van de F-84F jachtbommenwerper, viel de keuze toch op de F-5. Dit toestel zou goedkoper zijn en kon in de tweezits-uitvoering ook als trainer worden ingezet om de verouderde T-33 lesvliegtuigen op te volgen. Overigens zou als gevolg van de Belgische beslissing om de Mirage 5 aan te schaffen als F-84F opvolger het einde inluiden van de gecombineerde Nederlands-Belgische vliegeropleiding en zou Nederland de opleidingen uitbesteden naar Canada. Daarmee verviel de noodzaak voor een groot aantal NF-5B toestellen, maar de levering hiervan was al kort daarvoor voltooid.

De A-7 Corsair

Crusader wheelie

Exportversie

De Crusader werd vrijwel exclusief voor de USN geproduceerd. Wat maakte het toestel dan toch interessant voor Europa? De Franse marine luchtvaartdienst, Aéronavale, had voor haar toenmalige vliegdekschepen Foch en Clemenceau behoefte aan nieuwe jachtvliegtuigen. De compact gebouwde Crusader zou passen op de kleine Franse vliegdekschepen en moest de verouderde Corsair propellervliegtuigen, die nog uit de tijd van de Tweede Wereldoorlog stamden, opvolgen De Franse vliegtuigbouwer Dassault, hofleverancier bij de Force Aérienne Francaise (FAF) had geen voor gebruik op vliegdekschepen geschikte Mirage in de aanbieding. De lichte aanvalsjager Super Etendard van Dassault was niet geschikt als air defender en de Phantom die rond dezelfde tijd bij de USN zijn intrede deed was te groot en te zwaar voor gebruik op de Franse schepen. In 1962 bestelde de Franse marine daarom 42 Crusaders; dat werd de F-8E (N) versie en de laatste aflevering van deze serie vliegtuigen vond plaats tussen oktober 1964 en maart 1965. Als bewapening werd gekozen voor de Franse Matra Magic radargeleide en infrarood raketten. De operationele inzet was beperkt tot Djibouti, Libanon en Libië en later nog de oorlog boven voormalig Joegoslavië. Tijdens hun lange diensttijd voor de Franse strijdkrachten werden de vliegtuigen, evenals het bewapeningspakket, regelmatig gemodificeerd om deze up-to-date te houden. Toen duidelijk werd dat de introductie van de Rafale van Dassault vertraging ging oplopen werden de overlevende Crusaders nog eens grondig opgefrist om de levensduur te verlengen, waarna ze de laatste jaren als F-8P (prolongé) door het leven gingen. Uiteindelijk werden de laatste Crusaders in het jaar 2000 afgestoten en vervangen door de Rafale M. En zo kwam er een einde aan een van de meest karakteristiek ogende jachtvliegtuigen van de twintigste eeuw.