Pensioenen

door: Martin Weusthuis

Op weg naar een nieuw pensioenstelsel

In de discussie over een nieuw pensioenstelsel wordt momenteel stevig geduwd en getrokken aan een fors aantal onderwerpen. Er heerst grote bestuurlijke drukte tussen betrokken partijen, zoals de ministeries van SZW en FIN met aanpalende organisaties als DNB, AFM en CPB, tot het Verbond van Verzekeraars (belangenbehartiger commerciële pensioenverzekeraars) en de Pensioenfederatie (belangenbehartiger pensioenfondsen) en ook de werkgevers- (MKB-Nederland, VNO-NCW en LTO) en werknemersorganisaties (FNV, CNV en VCP) in dit land. Via de VCP spreekt ook uw GOV|MHB mee in de discussie over o.a. de wijze van pensioenopbouw en premiebetaling.

De Algemene Nabestaandenwet

De Algemene Nabestaandenwet (ANW) is al lange tijd geleden zo aangepast dat alleen de nabestaande die nog een kind heeft jonger dan 18 jaar, dan wel zelf minstens 45% arbeidsongeschikt is, nog een nabestaandenuitkering van de overheid krijgt. Bovendien is het zo dat indien een achterblijvende partner zelf inkomen uit arbeid heeft, die nabestaandenuitkering wordt gekort naar hoogte salaris, totdat bij een maandelijks bruto inkomen van ruim € 2.700,-, deze uitkering nihil is.

In het nieuwe pensioenakkoord is afgesproken om beide systemen op een gelijke leest te schoeien, d.w.z. dat beide systemen premieregelingen worden (premie-inleg is leidend, pensioen is volgend). Zo kunnen beide systemen met elkaar vergeleken worden en bijvoorbeeld waardeoverdrachten gemakkelijker verlopen.

De belangrijkste reden is echter dat de dure beloftes in de uitkeringsovereenkomst van de pensioenfondsen zoals het ABP, waardoor de premies de laatste jaren maar blijven stijgen, verleden tijd worden.

De caodiscussies verlopen dan niet meer naast en rondom een vaststaand door het pensioenfonds opgelegde pensioenpremie. De pensioenpremie wordt namelijk integraal onderdeel van de cao-onderhandelingen. En aangezien een cao-onderhandelaar voor zijn achterban meer gericht is op geld nú, is de verwachting dat de pensioenpremies én dus de pensioenen gaan dalen. Dat is een werkelijkheid achter de systeemswitch.

Nu hadden we binnen zo’n premieregeling kunnen kiezen voor een progressieve premie (rode lijn) zoals verzekeraars die nu moeten hanteren in de premiestaffel. Dat hebben we niet gedaan omdat dat de oudere werknemer duur maakt voor de werkgever, wat hem een reden geeft deze te vervangen door jongere werknemers. Er is daarom gekozen voor de systematiek van de gelijkblijvende premie, de doorsneepremie. Pensioenfondsen met hun opbouwregelingen en pensioenverzekeraars met hun premieregelingen moeten dus beide naar een ander systeem, namelijk dat van een premieregeling met een gelijkblijvende premie. Bij pensioenfondsen blijft de doorsneepremie (blauwe lijn), maar vervalt de doorsneeopbouw (groene lijn). Bij de pensioenverzekeraars vervalt de progressieve premie (rode lijn) en komt ook daar de doorsneepremie (blauwe lijn) voor in de plaats.

In beide gevallen impliceert een gelijkblijvende premie een dalende pensioenopbouw door de jaren (paarse lijn), omdat de beleggingshorizon met de jaren korter wordt en het rente-op-rente effect steeds kleiner. De theorie is dat eenieder die van het begin af aan als 20-jarige in een dergelijk systeem van doorsneepremie instapt, evenveel pensioen kan opbouwen als nu in de doorsneesystematiek (doorsneepremie én doorsneeopbouw). Dat betekent tegelijkertijd dat voor eenieder die later in de nieuwe premieregeling met doorsneepremie instapt, er pensioenschade ontstaat. Vooral voor werknemers die zich qua leeftijd rechts van het snijpunt van de rode en paarse lijn bevinden, is er flinke schade.

Deze deelnemers in pensioenfondsregelingen hebben als jongere te veel premie betaald om de oudere deelnemers te subsidiëren in de verwachting op latere leeftijd zelf door de jongeren te worden gesubsidieerd. Zij worden nu geconfronteerd met een degressieve opbouw. De deelnemers in regelingen van pensioenverzekeraars mochten op latere leeftijd verwachten dat zij samen met de werkgever een steeds stijgende premie zouden inleggen, zodat zij ook op latere leeftijd een voldoende pensioen zouden kunnen aankopen, maar ook zij worden de facto geconfronteerd met degressieve opbouw.

Deze oudere werknemers komen dus in aanmerking voor compensatie vanwege verbroken beloftes. Maar wat is de werkelijkheid? Bij pensioenfondsen is op basis van de verplicht te hanteren risicovrije rente (rts) de dekkingsgraad zo laag (< 100%) dat er van daaruit voor compensatie geen geld is. Werkgevers stellen dat het om een niet door hen gewilde regimewisseling gaat, waarbij de werkgever in het nieuwe systeem dezelfde premie blijft betalen, dus waarom zou de werkgever nog meer geld in een pensioenregeling stoppen? Bij pensioenverzekeraars gaat het om commerciële partijen die om het hardst roepen dat er absoluut geen geld is en doorverwijzen naar de werkgevers. De werkgevers op hun beurt leggen ook uit dat er geen geld is en dat een eventuele compensatie voor een beperkte groep ten koste gaat van de arbeidsvoorwaarden van alle werknemers. De onderhandelingen lopen niet zo gemakkelijk.