OPINIE - BINNENLAND

Je zult maar gewond raken

KOL B.D. DRS. A.E. DE ROOIJ

Training van gewondenafvoer in Afghanistan (foto: Wikimedia Commons)

Dit artikel begint met de bekende boodschap dat er de eerste 25 jaar na het einde van de Koude Oorlog enorm is bezuinigd op defensie. In 1993 bedroegen de defensie-uitgaven van Nederland nog meer dan 2,1% van het bruto binnenlands product (bbp). In 2015 was dit gekrompen tot net iets meer dan 1,1% (Bron: Defensienota 2018). Hadden de bezuinigingen in de periode 1990-2010 al een grote aanslag gepleegd op de gevechtskracht van de krijgsmacht, de bezuinigingen van het kabinet-Rutte I - het zogenaamde miljard van Hillen - gaven de genadeslag.

Lichte stijging

Gelukkig begon politiek Den Haag in te zien dat onze krijgsmacht echt tot op het bot was uitgekleed. In het regeerakkoord van Rutte II was nog een structurele bezuiniging op Defensie van 250 miljoen euro gepland. Mede door de verslechterende internationale toestand is die niet gerealiseerd en is het defensiebudget tijdens die kabinetsperiode zelfs licht gestegen. Deze lichte stijging was echter lang niet genoeg om zelfs maar een begin te maken met het repareren van de schade. Daarom kondigde minister Bijleveld in de Defensienota 2018 aan dat als eerste de basis op orde moest worden gebracht. Ook gaf zij aan dat de extra investeringen van het Kabinet Rutte III onvoldoende waren om aan de eisen van de NAVO te voldoen. Daarvoor was een extra inspanning nodig.

Toestand bij de landmacht

In de huidige toestand is het CLAS er misschien wel het ergst aan toe. Niet voor niets schreef de NAVO in de Capability Review die in de zomer van 2018 verscheen: ‘The Netherlands’ land forces would be seriously challenged if engaged in a high-end battle against a peer opponent’. Een belangrijke oorzaak is volgens de NAVO een gebrek aan gevechtskracht bij de Nederlandse brigades. Dat is echter niet de enige reden. Operationeel optreden op land is het optreden van verbonden wapens. Dit is alleen mogelijk met afdoende ondersteuning en in de huidige situatie beschikt de landmacht volgens de NAVO niet alleen over onvoldoende gevechtskracht, maar is er ook sprake van logistic shortfalls.

Geneeskundig systeem als voorbeeld

Hoe ernstig de toestand is van de Nederlandse eenheden die combat service support (CSS) leveren, wil ik laten zien aan de hand van een voorbeeld. Dit gaat over de geneeskundige ondersteuning van onze troepen. We gaan daarbij uit van een interview met de commandant van de Defensie Gezondheidszorg Organisatie (DGO), commandeur-arts Blom, dat op 28 november 2019 is gepubliceerd op de website Defensie Platform onder de titel ‘Het glas is behoorlijk leeg, maar er kan wel een flinke slok worden genomen [1].
Een aantal citaten uit het artikel:

  • Ondanks de bezuinigingen in 2011 die ervoor zorgden dat de militaire gezondheidszorg 35% van de sterkte moest inleveren, en het hoge aantal vacatures bij de geneeskundige eenheden, denkt de commandant DGO nog wel in mogelijkheden.
  • De totale omvang van de militaire gezondheidszorg bedraagt ongeveer drieduizend personeelsleden. En met zo’n aantal mensen kun je makkelijk een brigade ondersteunen. We moeten het wel organiseren, en daar moet men aan wennen.
  • … in een gevecht met een hoog-beweeglijke, grote eenheid …. moet je binnen zestig minuten op een plek zijn waar de handelingen om iemand in leven te kunnen houden worden voortgezet. En vanaf daar is er dan nog een uur tijd om bij de chirurg te komen. Dus maximaal twee uur met een station ertussen, maar veel liever een uur.
  • Bij een Afghanistan-scenario moeten de Role-2-enhanced hospitalen van 400 Geneeskundig Bataljon (400 GNK) komen. Dus de commandant van 400 GNK heeft eigenlijk als taak om al die delen bij elkaar te voegen en er een werkbaar geheel van te maken.
  • …. als er nu iemand op de grote rode knop drukt, dan rijden we naar bijvoorbeeld het oosten en gaan we aan het werk.

Ietsje meer realisme

Tot zo ver het optimistische deel van het verhaal. Daarna wordt de toon heel wat minder optimistisch, of eigenlijk wat meer realistisch. Weer een paar citaten:

  • Van het systeem waarover ik nu vertel zijn er onderdelen echt aanwezig en werkzaam, sommige onderdelen bestaan, maar werken net niet omdat er te weinig mensen zijn, of te weinig oefengelegenheid is, of omdat er te veel andere dingen zijn gedaan, en sommige onderdelen bestaan nog niet eens, omdat we gewoon de spullen niet hebben.
  • Als we in een NAVO-scenario een brigade inbrengen, en dan een optelsom maken van wat we nodig hebben, kunnen er heel weinig dingen van het verlanglijstje afgevinkt worden die we al hebben. De meeste dingen hebben we een beetje, en sommige dingen hebben we niet.
  • ... maar we bieden noch het werken in de praktijk en de oefeningen en evenmin de scholingsmogelijkheden die zij verwachten. En dat is waar we wel naar toe moeten groeien.

Samenvattend

Blom is dus optimistisch ondanks een reductie van het aantal functies met 35%, maar erkent dat er diverse tekortkomingen zijn. Niet alles is er en wat er is, is niet allemaal geheel inzetbaar, maar het is vooral een kwestie van goed organiseren - door commandant 400 GNK - en dat organiseren is nog voor verbetering vatbaar. Een brigade is dan goed te ondersteunen. En …. als er onverhoopt een groot conflict uitbreekt, rijden we naar het oosten en gaan we aan de slag.

De wrange werkelijkheid

Hoe is de situatie werkelijk? Het gaat hierbij om de vraag: Kan het optreden van de Nederlandse krijgsmacht in een grootschalig conflict geneeskundig worden ondersteund? De eerste hoofdtaak van de krijgsmacht is immers in belang toegenomen. Er is een gordel van instabiliteit rondom Europa ontstaan en het is niet langer ondenkbaar dat (delen van) de krijgsmacht voor de eerste hoofdtaak worden ingezet. De Defensienota 2018 stelt niet voor niets dat het woord ‘ambitieniveau’ niet langer gebruikt wordt. ‘De inzet van de krijgsmacht is namelijk geen ambitie, maar noodzaak’. Daarnaast spreek ik bewust van de krijgsmacht en niet van de landmacht. De DGO en 400 GNK moeten immers alle krijgsmachtdelen kunnen ondersteunen.

Voordat ik verder ga, is een stukje theorie nuttig en nodig.

De NAVO kent vier niveaus van geneeskundige behandeling. Role 1 geeft een eerste opvang met primaire medische capaciteiten. Het wordt meestal verleend door eenheden die op bataljonsniveau opereren. Role 2 wordt meestal op brigadeniveau ingezet. Dit niveau kent drie vormen waarin wordt opgetreden: forward, basic en enhanced. In het laatste geval is sprake van capaciteiten die kunnen voorzien specialistische en hospitaalzorg om de patiënten te stabiliseren en voor te bereiden op strategische evacuatie. In deze vorm van geneeskundige behandeling kan 400 GNK voorzien. Daarnaast zijn er nog mobiele role 3 capaciteiten. Deze worden doorgaans ingezet op divisieniveau. Nederland beschikt hier niet over. Ten slotte is er role 4. Dit is de nationale militaire en civiele capaciteit die voorziet in een eindbehandeling.

Om te bepalen of Nederland op geneeskundig gebied adequaat kan optreden in een grootschalig conflict gebruik ik in de eerste plaats een ander artikel. Dat is in 2018 in de Militaire Spectator verschenen, van de hand van maj Willem Goes en heeft als titel ‘Geneeskundige ondersteuning van landoptreden bij een grootschalig conflict’. [2]
Ik wil hier verder geen aandacht besteden aan de role 1 geneeskundige verzorging, maar ga direct naar de benodigde chirurgische capaciteiten. Goes berekent in zijn artikel dat er per brigade een equivalent van tien medical treatment facilities (MTF) nodig is. 400 GNK kan met de huidige middelen vier MTF’s uitbrengen.
De KL heeft drie brigades met daarnaast het Korps Commandotroepen (KCT) als gevechtseenheid. Als we dan in gedachten houden dat ook het Korps Mariniers (KMARNS) en in het buitenland optredende luchtmachteenheden ondersteuning van role 2 capaciteit nodig hebben en dat ook op scheepsverbanden specialistische geneeskundige capaciteit nodig is, kunnen we concluderen dat de beschikbare capaciteit zwaar tekort schiet, zelfs als er maar één brigade-equivalent wordt ingezet.

Gebrek aan afvoercapaciteit

Hier blijft het echter niet bij. Goes stelt dat voor de afvoer van gewonden per brigade negen NH-90 helikopters nodig zijn en voor verdere afvoer vanaf een role 2 enhanced naar achtergelegen medische installaties vier CH-47 Chinook helikopters. Bij de ondersteuning van de drie brigades van de landmacht zou dit de inzet betekenen van 27 NH-90’s (meer dan 100% van het Nederlandse totale aantal) en twaalf CH-47’s (60% van het toekomstige bestand). En als deze toestellen al beschikbaar zouden zijn, is het de vraag of ze kunnen worden ingezet , gelet op de Russische capaciteiten op het gebied van anti-access en area denial (A2AD). In dat geval is alleen afvoer ‘over de grond’ mogelijk. De daarvoor benodigde transportcapaciteit is zowel bij de brigades als bij 400 GNK verdwenen. Het probleem wordt nog groter als men bedenkt dat Nederland niet over role 3 capaciteit beschikt. De afvoer naar role 4 moet dus plaatsvinden met strategische transportmiddelen - of we moeten kunnen terugvallen op capaciteit van bondgenoten, hetgeen niet waarschijnlijk is.

Bison Drawsko (2017), oefening voor een grootschalig conventioneel conflict. De aard van het grootschalige gevecht vraagt om mobiele, zelfstandige, snel inzetbare Medical Treatment Facilities (MTF's ) die binnen enkele uren een ruime hoeveelheid (chirurgische) capaciteit beschikbaar hebben (foto: PhoenixOOCL)

Certificeringsoefening voor de Role2 van 400 GNK Bataljon in Vlissingen, 2017. In de zogeheten Role 2 en Role 3 Medical Treatment Facilities kunnen hoogwaardige chirurgische ingrepen worden gedaan (foto: MCD, J. Dijkstra)

Te weinig deskundigheid

Daarnaast is er een essentieel tekort aan personeel met medische deskundigheid. Een voorbeeld is het grote aantal vacatures voor algemeen militair verpleegkundigen (AMV). Indien daadwerkelijk een brigade wordt ingezet, zal elke MTF 24/7 inzetbaar moeten zijn en voortzettingsvermogen moeten hebben. In dat geval zijn er minimaal twee teams met elk (para-)medische discipline per MTF nodig om deze zorg te leveren. Indien alle MTF’s worden ingezet is daar onvoldoende personeel voor. In tegenstelling tot vroeger kan nu nog slechts uit een beperkt aantal reservisten worden geput om dit tekort aan te vullen.

Tellen we bij deze problemen op dat 400 GNK niet beschikt over voldoende transportmiddelen om het materieel van de hospitalen te verplaatsen en evenmin over voldoende hulppersoneel om de hospitalen (snel) op te bouwen, dan wordt het beeld nog treuriger.

Ongefundeerd optimisme

De berekeningen van maj Goes zijn gebaseerd op o.a. Nederlandse en Duitse studies, NAVO- en Amerikaanse documenten en getoetst aan de cijfers in daadwerkelijke conflicten. Daarom ga ik ervan uit dat ze niet uit de lucht zijn gegrepen. Dat is het - enigszins genuanceerde - optimisme van commandeur-arts Blom echter wel. Dit soort overoptimistische uitlatingen helpt niet de ernstige situatie waarin het militair geneeskundig systeem zich bevindt, op te lossen. Integendeel zou ik zeggen. Alleen als de problematiek serieus wordt genomen, kan het begin van een oplossing in zicht komen. Het echt oplossen van problemen van deze omvang is met de op dit moment beschikbare budgetten niet mogelijk.

Ik kan niet anders dan hopen dat er op enig moment in de toekomst voldoende budget beschikbaar zal komen. Maar tot die tijd kan ik niet anders dan verzuchten: ‘Je zult maar gewond raken’.

Eindnoten
*) De auteur was in de periode 1997 – 1999 Commandant 400 Geneeskundig Bataljon.
[1] Het gehele artikel is te vinden op http://www.defensieplatform.nl/2019/11/28/commandeur-arts-blom-het-glas-is-behoorlijk-leeg-maar-er-kan-wel-een-flinke-slok-worden-genomen/
[2] Het volledig artikel is te vinden op https://www.militairespectator.nl/thema/operaties/artikel/geneeskundige-ondersteuning-van-landoptreden-bij-een-grootschalig-conflict.