VIERKANT BESCHOUWD

Vertrouwen

Het komt te voet en gaat te paard

Inleiding

De media wijden er de laatste tijd veel aandacht aan: het vertrouwen van de Nederlandse burger in de overheid is tanende. Voorbeelden te over. Kijk naar de ontstane commotie over de misstanden bij de Belastingdienst of naar de klachtenregen over het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR) dat lange tijd heeft geschutterd met het verwerken van medische verklaringen bij de aanvragen voor rijbewijsverlenging. Ook het Ministerie van Defensie heeft een flinke duit in het zakje gedaan door de afspraken met de gemeente Vlissingen, om de nieuwe marinierskazerne in deze stad te vestigen, niet na te komen. En door daar bovendien op leugenachtige wijze over te communiceren; zo hebben de Zeeuwen dat althans ondervonden.

Andersom lijkt diezelfde overheid zijn burgers te wanvertrouwen, hetgeen we o.a. zagen bij het Ministerie van Financiën dat in veel gevallen uitging van frauduleus handelen van burgers bij de door hen aangevraagde kinderopvangtoeslag. Ook het vertrouwen in de toekomst van de Europese Unie (EU) is sterk dalende, niet alleen in ons land, maar in alle Noord-Europese landen die grote moeite hebben met de zorgeloze begrotingsmoraal van een aantal Zuid-Europese landen.

Ons land moet ter bescherming van haar belangen volgens onze grondwet beschikken over een krijgsmacht die kan worden ingezet voor een veelheid aan taken. Echter, onze minister van Defensie, maar ook anderen hebben aangegeven dat de huidige krijgsmacht niet in staat is om het eigen grondgebied te verdedigen. Voor die opdracht is de momenteel in deplorabele staat verkerende krijgsmacht onvoldoende inzetbaar. Kan het Nederlandse volk dan nog wel vertrouwen op die krijgsmacht?

In dit VB gaan we na hoe het eigenlijk is gesteld met het vertrouwen van het personeel van Defensie in de organisatie en in de leiding. En we trekken een conclusie over wat dat betekent voor de effectiviteit van onze krijgsmacht.

Het belang van vertrouwen

Vertrouwen speelt een belangrijke rol binnen relaties, ondernemingen, sociale groepen en de samenleving. Het begrip vertrouwen kent veel omschrijvingen en benaderingen, maar in het kader van dit VB gaan wij uit van de sociologische en de psychologische benadering. Sociologisch beschouwd is vertrouwen een cruciale bouwsteen voor een gezonde samenleving. Het is een fenomeen dat iedere samenleving, groot of klein, nodig heeft om goed te kunnen functioneren; een keiharde conditio sine qua non. En kort door de bocht is vertrouwen, psychologisch beschouwd, geloven dat iemand die je vertrouwt zal doen wat van hem verwacht wordt. Heel concreet: doe wat je zegt en zeg wat je doet. In het algemeen kan gesteld worden dat gebrek aan vertrouwen slecht is voor de werksfeer, de veiligheid en de effectiviteit van een groep of organisatie. Positief geformuleerd is vertrouwen een sterke force multiplier.

Vertrouwen bij Defensie

Dat vertrouwen nodig is voor de goede werksfeer, veiligheid en effectiviteit geldt in het algemeen voor een groep of organisatie, maar het is bij uitstek essentieel voor de krijgsmacht, waarvan het personeel in het uiterste geval wordt ingezet voor de uitvoering van de grondwettelijk opgedragen taken. In die situatie moet het personeel bereid zijn zich in zware en risicovolle situaties te begeven die uiteindelijk het hoogste offer kunnen vragen. Dan moet je op elkaar kunnen vertrouwen, moet er vertrouwen zijn in de leidinggevenden, in het beschikbaar gestelde materieel en in het functioneren van de organisatie zoals bijvoorbeeld geneeskundige afvoer en verpleging. Maar de ingezette militair moet er tevens op kunnen vertrouwen dat Defensie goed zorgt voor het thuisfront en dat er een vangnet is wanneer hij of zij met permanente verwondingen of beschadigingen uit de inzet terugkeert. Er bestaat aldus een duidelijke relatie tussen vertrouwen en inzet; gebrek aan vertrouwen zal de inzet negatief beïnvloeden. Het zal dan ook helder zijn dat dezelfde eisen gelden voor het vertrouwen in het traject voorafgaand aan de inzet, dus in vredessituaties, tijdens opleiding en training en in de kantooromgeving.

Dat Defensie dit van belang acht, blijkt uit het voorwoord van de Defensienota 2018: ‘Wij bieden u een realistische en toekomstgerichte Defensienota aan. Een nota, die naar onze vaste overtuiging, een startpunt is van het versterken van het vertrouwen in Defensie. Vertrouwen bij onze mensen, vertrouwen in onze organisatie, maar ook vertrouwen van de samenleving in Defensie (…) Juist onze mensen zijn de kracht van Defensie! We willen transparant en betrouwbaar zijn in wat we doen en wat we bereiken. We willen een aantrekkelijke en betrouwbare werkgever zijn’.

Vertrouwen in de leiding, op alle niveaus (foto: Ministerie van Defensie)

Gebrek aan vertrouwen, of nog erger, wantrouwen, veroorzaakt op zijn minst een ongemakkelijk gevoel en dat komt de werksfeer, de veiligheid en de effectiviteit zeer zeker niet ten goede. De krijgsmacht heeft op dat punt helaas een groot probleem.

In zijn jaarverslag van 2018 met de pakkende titel ‘Investeren in vertrouwen’ constateert de Inspecteur Generaal der Krijgsmacht (IGK) dat er sprake is van een laag vertrouwen van het personeel dat o.a. wordt veroorzaakt door de starheid van het personeelssysteem, de functie-uitholling, de hoge werkdruk en de achterblijvende vulling van de organisatie. De IGK pleit voor het actualiseren van de arbeidsvoorwaarden en een effectieve aanpak van het personeelstekort. Hij concludeerde dat het vertrouwen van het personeel in de defensieorganisatie moet terugkeren en dat Defensie moet investeren in vertrouwen.

In zijn jaarverslag over 2019 vermeldt de IGK dat veel bemiddelingsverzoeken als onderwerp de arbeidsvoorwaarden hadden en dat het gemis van een betrouwbare organisatie met betrouwbare procedures de belangrijkste aanleiding tot die verzoeken was. De IGK concludeert eufemistisch dat het vertrouwen van de defensiemedewerker nog niet volledig is hersteld en dat defensie daaraan moet blijven werken.

Personeel versus de leiding

Voor het personeel dat bij de krijgsmacht werkzaam is, is het van wezenlijk belang dat het kan vertrouwen op de politieke en ambtelijke top, die er alles aan doet om maximaal zorg te dragen voor de veiligheid van haar mensen; veiligheid in de ruimste zin van het woord. Met andere woorden: dat de krijgsmacht, die namens Nederland de zwaardmachtfunctie moet uitoefenen, wordt voorzien van voldoende, goed opgeleid en gemotiveerd personeel en adequaat up to date materieel. Dat is in de kern waar militairen, die in het uiterste geval hun leven moeten geven, recht op hebben en waar ze dus op moeten kunnen vertrouwen.

En hoe zit het nu bij de leiding van Defensie?

Als we kijken naar de recente reorganisatie van de Bestuursstaf, dan blijkt dat de militaire invloed in de besluitvorming van de top van het departement afneemt. De aanpassing van de topstructuur is bedoeld om de aansturing van de defensieorganisatie te vereenvoudigen en dat schijnt alleen bereikt te kunnen worden door de militaire invloed op beleid en sturing zoveel mogelijk uit te sluiten. Meer dan voorheen moet de CDS slechts uitvoeren wat door anderen in de stuurhut is bedacht en hij moet nu letterlijk roeien met de riemen die hem ter beschikking worden gesteld. Hij mag wel advies geven over de uitvoerbaarheid van het beleid en de plannen. Loopt er iets fout, dan blijft de top buiten schot en moet het militaire barbertje hangen. Dat heeft de organisatie blijkbaar geleerd van het mortierongeluk in Mali, waarbij de minister aftrad en in haar gevolg de CDS. Een CDS die verantwoordelijkheid nam voor het falen van een organisatiedeel dat niet onder zijn leiding stond, maar dat ressorteerde onder de secretaris-generaal (SG).

Vanaf nu is het dan ook helemaal duidelijk: de CDS is verantwoordelijk voor alle uitvoering bij oefeningen, operaties en missies. Maar mede door de versterking van het toezicht onder de noemer ‘veiligheid’, lijkt het er toch sterk op dat de nieuwe structuur voortkomt uit wantrouwen van de politiek in militairen.

Vertrouwen in Defensie als werkgever

De IGK heeft een belangrijk punt gemaakt en vertrouwen van het personeel van de krijgsmacht in hun hoedanigheid van werknemer in het Ministerie van Defensie als werkgever, is cruciaal. Met het oog op de formeel vastgestelde bijzondere positie van de militair moet ons van het hart dat de manier waarop onze werkgever daarmee in het verleden is omgegaan niet bijdraagt tot een grote mate van vertrouwen in Defensie als werkgever.

Militairen mogen er namelijk op vertrouwen dat de werkgever die bijzondere positie bewaakt en garandeert. In de financiële beloning komt die bijzondere rechtspositie echter niet tot uitdrukking. Alhoewel de beloning in de cao van 2019 verbeterd is, zijn daarna geen betekenisvolle stappen meer gezet op arbeidsvoorwaardelijk gebied, voornamelijk veroorzaakt door traag voortslepende en buitengewoon moeizame onderhandelingen. Momenteel liggen de aanpassing van het Flexibele Personeel Systeem (FPS) en de methodiek van de bezoldiging en toelages - de actualisering van het loongebouw - op de onderhandelingstafel. Uit de onderhandelingen blijkt echter dat de werkgever geneigd is op eerder gemaakte afspraken terug te komen. Als onderhandelingspartijen niet eerlijk en open met elkaar omgaan geeft dat opnieuw een deuk in het vertrouwen.

De minister zegt dat het personeel op de eerste plaats komt, maar de praktijk leert anders

Onze minister heeft vele malen aangegeven dat het personeel van Defensie bij haar op de eerste plaats komt, maar de praktijk leert anders; wel de woorden, niet de daden. En als beloftes die in het verleden zijn gedaan niet worden waargemaakt, ontstaat wantrouwen. Dit wantrouwen is niet snel en eenvoudig te herstellen en leidt onherroepelijk tot een negatieve ontwikkeling van het personeelsbestand.

Vertrouwen in de defensiewerknemer

Vertrouwen brengt ook met zich mee, dat je kritiek kunt uiten en elkaar kunt aanspreken. Diverse malen en vooral achteraf na sociale- en veiligheidsincidenten, is topdown te kennen gegeven dat misstanden moeten worden aangekaart. Militairen en burgers moeten elkaar aanspreken als de normen en waarden van de organisatie geweld worden aangedaan. In dat kader is de recent aangescherpte Aanwijzing SG A/978 [1] moeilijk te plaatsen. Kennelijk is er van de zijde van de SG of de ambtelijke top van het ministerie geen vertrouwen in de integriteit en de deskundigheid van het defensiepersoneel. Door het restrictieve karakter van dit voorschrift wordt het personeel niet beschouwd als de volwassen professionals die zij behoren te zijn. Dat is ook zeker niet in lijn met één van de aanbevelingen die de IGK geeft in zijn eerder aangehaalde jaarverslag over 2019 met als titel ‘Eenvoud en professionele verantwoordelijkheid’. Los van het vertrouwensaspect is transparantie en het ruimte bieden voor kritisch geluid bevorderend voor het lerend vermogen van de organisatie en dus essentieel voor Defensie.

Effect op de krijgsmacht

Als we kijken naar het huidige personeelsbestand dat kunnen we constateren dat ervaren en goed opgeleid personeel de organisatie voortijdig verlaat en dat ondanks de belangstelling voor een baan bij Defensie er onvoldoende militair personeel instroomt. De krijgsmacht wordt geconfronteerd met een te groot aantal vacatures (ca. negenduizend) en de ontstane tekorten hebben tot gevolg dat eenheden niet of niet voldoende gevuld zijn en daardoor niet inzetbaar.

Voor wat betreft capaciteiten is de toestand van de geneeskundige ondersteuning die nodig is bij militaire inzet een heikel punt. De vulling en de uitrusting van geneeskundige eenheden schiet schromelijk tekort. Ook op het gebied van informatie- en communicatietechnologie zijn grote veranderingen een bittere noodzaak en het ziet er niet naar uit dat dit op korte termijn in orde komt. Een en ander heeft gevolgen voor de inzetmogelijkheden en de inzetbereidheid van het personeel waardoor een succesvolle inzet in het geding komt.

We weten het, maar toch is onze conclusie hard. Onze huidige krijgsmacht is niet in staat om ons grondgebied te verdedigen. Dat impliceert dat zij ook niet in staat is om de binnen de NAVO en EU aan Nederland opgelegde verdragsverplichtingen na te komen en dat Nederland dus niet meer als betrouwbare partner kan worden beschouwd. Het niet uitvoeren van de toezegging door Nederland aan de NAVO in Wales (2014) dat wij voor 2024 streven naar het besteden van 2% van ons bbp aan defensie en de weerslag daarvan op beschikbare militaire capaciteiten, spreekt boekdelen. De politieke leiding is daar inmiddels wel open over, maar daarmee komt het vertrouwen niet terug.

Ten slotte

Nog even terug naar de basis. Gebrek aan vertrouwen van de defensiewerknemer in de eigen organisatie en in de leiding leidt tot een onbehaaglijk gevoel en onvrede. Een werknemer die zich niet erkend acht en vertrouwd weet, blijft bovendien moeilijker behouden. Hij of zij zal - zodra de kans daar is - overstappen naar een andere werkgever. Dat is helaas de huidige situatie.

Volgens het bekende gezegde komt vertrouwen te voet, maar gaat het te paard. In de kabinetsperiode die komend voorjaar eindigt is het niet gelukt om hiernaar te handelen. Defensie dient zich echter te herpakken; er is geen alternatief.

Onze boodschap is daarom niet ingewikkeld, maar wel cruciaal. Om een inzetbare, goed gevulde en gemotiveerde krijgsmacht te krijgen, moet de defensieleiding prioriteit gaan geven aan betere verhoudingen en maatregelen nemen waarmee het vertrouwen van haar werknemers niet verder wordt uitgehold. Wij roepen deze en de volgende ministeriële leiding dan ook op: Kom gemaakte afspraken na en toon in concrete daden dat het personeel ook echt op de eerste plaats komt!

Redactie

Eindnoot 1: Aanwijzing SG A/978 over extern optreden, mediacontacten en publicaties