Pensioenen

door: Martin Weusthuis

Pensioenpremie nieuw contract voldoende voor GOV|MHB-achterban?

Net voor het zomerverlof werd overeenstemming bereikt over een nieuw pensioencontract, in werking tredend in 2026 of zoveel eerder als mogelijk. De contouren van dit nieuwe contract zijn vastgelegd in de zgn. ‘Hoofdlijnennotitie’. Het nieuwe stelsel lijkt een uitdaging te worden voor de GOV|MHB-pensioenonderhandelaars.

De Hoofdlijnennotitie schetst een doel van pensioenopbouw ter hoogte van 75% van het middelloon na 40 deelnemingsjaren en van 80% van het middelloon na 42 deelnemingsjaren. In het huidige systeem wordt dat bereikt door ieder jaar een stukje pensioen op te bouwen van 1,875% op basis van het pensioengevend loon van dat jaar. En ieder jaar wordt d.m.v. premiebetaling voldoende kapitaal gereserveerd om dat stukje pensioen vanaf pensioendatum uit te kunnen keren. Kortom, de premiehoogte is een afgeleide van de pensioenopbouw en de vaststelling van de premie is een actuariële verantwoordelijkheid van het pensioenfondsbestuur. Na 42 jaar zijn die stukjes pensioen aangegroeid tot bijna 80% van het gedurende de carrière gemiddeld verdiende loon en het achterliggende kapitaal (premie plus rendement) is meegegroeid.

In het nieuwe pensioencontract loopt dat andersom. Het principe van pensioenopbouw wordt verlaten voor dat van premiestorting, waarbij de pensioenhoogte een afgeleide wordt van het door middel van de premie opgebouwde kapitaal. In dit systeem zal de hoogte van de pensioenpremie veel meer zichtbaar en directer uit onderhandeld worden dan nu in het huidige systeem. De premie wordt niet meer actuarieel vastgesteld door het pensioenfondsbestuur, maar door sociale partners tijdens cao-onderhandelingen in concurrentie met alle andere arbeidsvoorwaarden. De vraag in dit systeem is hoe je voldoende grip houdt op de hoogte van het uiteindelijke pensioen.

Deze systeemwijziging komt natuurlijk niet zomaar uit de lucht vallen. Allereerst voert de wetgever / onze werkgever deze wijziging door om in een tijdperk van lage rentes en verwachte lagere rendementen, niet met steeds doorstijgende premies te worden geconfronteerd. Daarnaast vindt DNB dat die enorme vermogens aan belegd pensioenkapitaal ertoe leiden dat er te weinig geld in de reële economie overblijft om in tijden van baisse te gebruiken voor consumptie. De economische hausses en baisses vallen daardoor in Nederland hoger en dieper uit dat in andere landen. Bovendien passen die collectieve pensioenvermogens niet in de totstandkoming van een Europese fiscale unie en een eenvormig EU-belastingbeleid. Nederland staat sinds de Brexit zo ongeveer alleen met die grote kapitaalgedekte pensioenvermogens. Andere lidstaten regelen hun pensioenen veel meer via het omslagstelsel en veel meer individueel.

Maar als de premie het bepalende element wordt in het nieuwe pensioencontract, hoe houd je dan zicht op de uiteindelijke pensioenhoogte? Dat gebeurt door in de pensioenregeling tussen werkgever en werknemer dat 80% pensioendoel (of een ander fiscaal geaccepteerd doel) af te spreken. Het doel is dan in de opbouwfase voldoende premie te betalen om voldoende kapitaal op te bouwen om uiteindelijk in de uitkeringsfase dat 80% middelloonpensioen uit te kunnen keren. Inderdaad een omweg om toch een actuarieel voldoende premie op te brengen.

Het nieuwe pensioencontract zoals het op dit moment in de Hoofdlijnennotitie wordt geschetst, werkt met een zgn. doorsneepremie, d.w.z. dat het premiepercentage voor alle deelnemers gelijk is. In onderstaande tabel is voor een aantal veel voorkomende burger- en militaire carrières berekend welke premiepercentages bij welk reëel rendement sociale partners moeten vaststellen om het 80% doel te behalen. Uit het overzicht blijkt dat naarmate de inkomens hoger liggen en/of de carrières steiler zijn, er hogere premies worden gevraagd. Op dat moment gaat in een pluriform bedrijfstakpensioenfonds als het ABP de doorsneepremie een rol spelen.

Om de 80% middelloon pensioenopbouw te realiseren voor de GOV|MHB-achterban is een hoger premiepercentage nodig dan voor de achterban van een willekeurige andere werknemerscentrale. Dat geldt voor de burgerregeling, maar ook voor de militaire regeling. En de werkgever met achter zich DNB, zal blijven toezien op matiging van de premie. Bovendien lijkt bij verdere daling van het reële rendement de premie voor de hogere inkomens moeilijk betaalbaar te worden. De werkgever zal al gauw weigeren te betalen, maar ook voor de deelnemer geldt dat zijn netto inkomen wordt geraakt.

Enkele opmerkingen bij de tabel

Het nieuwe contract verkeert in een fase van nog veel noodzakelijke invulling. Van buiten en binnen de pensioenwereld komen commentaar en aanbevelingen. De berekeningen zijn gebaseerd op de nu bekende stand van zaken, maar kunnen wijzigen door systeemaanpassingen. Het gaat hier niet om de exacte premiepercentages, maar goede benaderingen.

Het overzicht is gebaseerd op berekeningen waarin in de opbouwen afbreekfase wordt uitgegaan van hetzelfde reële rendement. In werkelijkheid varieert dat rendement door de jaren. De berekeningen zijn uitgevoerd met carrières die starten op 20 of 23 jaar en doorlopen tot pensioenrekenleeftijd 68 jaar. Het gaat dus om meer dan 42 deelnemingsjaren.

. r.