OPINIE - BINNENLAND

De oorlog van de toekomst wordt vandaag bepaald

MARTIJN KITZEN

De NAVO werkt aan een nieuw warfighting concept dat eind dit jaar moet verschijnen. Het is de bedoeling dat dit document richting geeft aan de broodnodige modernisering van het militaire instrument van de alliantie. De komende twintig jaar moet er hard geïnvesteerd worden om een breed palet van dreigingen het hoofd te kunnen bieden. Op basis van de huidige ontwikkelingen wordt namelijk verwacht dat bondgenootschappelijke verdediging in 2040 veel meer vergt dan op conventionele oorlogvoering gerichte strijdkrachten of een nucleaire afschrikkingscapaciteit. Terugvallen op concepten die hun wortels hebben in de Koude Oorlog volstaat niet meer: ‘De alliantie kan het gevecht van morgen niet winnen met de aanpak van gisteren’.

De contouren van de toekomstige veiligheidssituatie worden steeds duidelijker. Grootmachten als China en Rusland, of sterke regionale spelers als Iran, zoeken de confrontatie op door een strategische competitie aan te gaan. Dat is een gevecht van lange adem waarin de verschillende partijen proberen zoveel mogelijk invloed te verkrijgen door in te spelen op sociale, economische, demografische, wetenschappelijke en technologische ontwikkelingen. We zien nu al dat daarbij niet alleen creatief gebruik wordt gemaakt van militaire middelen, maar vooral ook van nieuwe methodes, zoals beïnvloeding in het informatiedomein. Het slim combineren van kinetisch en niet-kinetisch optreden in alle operationele domeinen en beïnvloeding van bevolkingsgroepen maakt het moeilijk de precieze aard en afkomst van een dreiging te identificeren. Bovendien zijn de meeste acties zo opgezet dat ze volgens de huidige internationale normen niet kunnen worden beschouwd als een oorlogsdaad. Veel toekomstige conflicten zullen zich dan ook afspelen in wat wij zien als het grijze gebied, the grey zone, tussen oorlog en vrede. De hybride oorlogvoering van de laatste jaren is wat dat betreft een voorbode van wat ons op grotere schaal te wachten kan staan. Het is bijvoorbeeld de verwachting dat door deze ontwikkeling ook niet-statelijke actoren, zoals terroristische groeperingen, steeds beter in staat zullen zijn om wereldwijd toe te slaan.

De traditionele aanpak van de NAVO is vooral gericht op het afschrikken van mogelijke dreigingen en daar waar nodig militair terug te slaan. Dit blijft in de toekomst relevant aangezien landen als Rusland en China zich deze manier van optreden ook eigen hebben gemaakt. Een geloofwaardige afschrikking is dus van onverminderd belang. Toch volstaat het niet meer om alleen hierop te vertrouwen. Sterker nog, in de meeste gevallen zul je er niks aan hebben omdat het erg moeilijk is de precieze aard en afkomst van een dreiging vast te stellen. Ook kunnen tegenstanders beschuldigingen vaak ontkennen - denk bijvoorbeeld aan de manier waarop Rusland standaard alle suggesties van betrokkenheid bij het conflict in Oekraïne wegwuift. Dat maakt het vrijwel onmogelijk het militaire instrument effectief in te zetten. Nog belangrijker is het feit dat onze samenlevingen erg kwetsbaar zijn voor beïnvloeding van buitenaf. Door de bevolking van lidstaten te bespelen kunnen tegenstanders zorgen dat politieke machthebbers worden afgeleid en zelfs de eenheid binnen de alliantie uithollen. Wil de NAVO de collectieve verdediging blijven garanderen, dan zal zij dus met een veel bredere aanpak moeten komen. Daarom zal de alliantie zich de komende tijd nadrukkelijk moeten gaan bezighouden met het ontwikkelen van capaciteiten die haar militaire instrument op het gebied van onder andere het begrijpen en doorgronden van moderne dreigingen, het gecoördineerd en geïntegreerd optreden in meerdere operationele domeinen, beïnvloeding en weerbaarheid moeten versterken.

Wat betekent dat voor Nederland? De krijgsmacht zal zich breder moeten gaan oriënteren en niet alleen gericht zijn op conventioneel militair optreden. Dat past overigens uitstekend bij ontwikkelingen die al in gang zijn gezet. Zie bijvoorbeeld de toekomstvisie van de landmacht uit 2018 en het daaraan voorafgaande HCSS-rapport. Nu hoor ik u denken: ‘Dat betekent nog meer werk met een toch al niet ruim budget en personeelsbestand’. Dat klopt en daar wringt de schoen. Ik verwacht niet dat de politiek op korte termijn de defensiebegroting op niveau zal brengen of keuzes zal maken die ons helpen te focussen op wat zij het belangrijkst vindt. Toch zie ik perspectief. Het aanpassingsvermogen van een krijgsmacht is namelijk vaak terug te voeren op bottom-up initiatieven van mensen op de werkvloer die verder kijken dan de waan van de dag. Ik zie dat bijvoorbeeld terug in het zogeheten Tactical Information Manoeuvre Team (TIMT) van het 17e Pantserinfanteriebataljon waar jonge leiders en specialisten experimenteren met operationele concepten die klassiek militair optreden combineren met nieuwe methodes op het gebied van informatie-oorlogvoering en beïnvloeding. Het jaar 2040 lijkt nog ver weg, maar de toekomst begint met de vernieuwende initiatieven van vandaag.

Dr. Martijn Kitzen is Universitair Hoofddocent Krijgswetenschappen aan de Nederlandse Defensie Academie en voormalig officier.