OPINIE - BINNENLAND

Meerjarenonderzoek Nederlands-Indië, 1945-1950

En hoe de geschiedenis dreigt te worden gekleurd

KOL B.D. A. KRUIZE

Pantserauto’s van het KNIL onderweg in Nederlands-Indië, juli 1947 (foto: Wikimedia Commons).

Van de redactie

Het lopende, door de Nederlandse regering gefinancierde meerjarenonderzoek naar de context van het geweldsgebruik in de periode van dekolonisatie in Nederlands-Indië (1945 – 1950) geeft aanleiding tot veel discussie. De redactie van Carré faciliteert in voorkomend geval de discussie bij dit militair-historische onderwerp door ruimte te bieden voor artikelen die op persoonlijke titel zijn geschreven. In deze discussie is de redactie geen partij. Voor plaatsing maakt de redactie een afweging met ‘relevantie voor onze doelgroep’ als belangrijkste criterium. In een opiniërend artikel is een scherpe, goed onderbouwde stellingname geoorloofd. Ongefundeerd kwetsend, beledigend of andersoortig grof taalgebruik wordt niet getolereerd.

Inleiding

Sinds de officiële kick-off op 14 september 2017 loopt het onderzoek met de naam ‘Onafhankelijkheid, dekolonisatie, geweld en oorlog in Indonesië, 1945-1950’, verder in dit artikel kortweg aangeduid als het meerjarenonderzoek. Het onderzoek naar de context van het geweldsgebruik in de periode van dekolonisatie moet eind november 2021 afgerond zijn en wordt gezamenlijk uitgevoerd door het Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde (KITLV), het Nederlands Instituut voor Militaire Historie (NIMH) en het NIOD Instituut voor Oorlogs-, Holocaust- en Genocidestudies. Terwijl het onderzoek nog in volle gang is, wordt vanuit verschillende hoeken kritiek geuit, wordt vooral getwijfeld aan de objectiviteit bij het onderzoek en wordt gevreesd voor een maatschappelijk gewenste uitkomst en daarmee het kleuren van de geschiedenis.

Aanleiding tot het onderzoek

De geschiedenis van Nederlands-Indië van 1945 tot 1950, de zogenaamde dekolonisatieperiode, kwam opnieuw volop in de belangstelling door een brief aan de Tweede Kamer (Kamerstuk 26049-82) van de ministers van Buitenlandse Zaken en Defensie en de staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport op 2 december 2016. In die brief werd aangekondigd dat een breed opgezet onderzoek naar de context van het geweldsgebruik zou volgen. Het onderzoek moet beide partijen aandacht geven, zonder accent op het geweld van Nederlandse kant, maar juist de brede internationale historische context vermelden; er moet systematisch onderzoek worden gedaan naar de Bersiap en het onderzoek moet worden uitgevoerd in een integrale samenwerking tussen Nederlandse en Indonesische historici met open archieven aan beide kanten. De aanleiding voor dit onderzoek was met name de dissertatie van de Zwitsers-Nederlandse historicus dr. Rémy Limpach [1] over het gebruik van geweld door Nederlandse militairen in die periode in Nederlands-Indië. De Nederlandse versie van de studie van Limpach is het boek De brandende kampongs van Generaal Spoor (2016). Het boek trok zeer veel aandacht en minister Koenders (Buitenlandse Zaken) werd over dit boek indringend door de media aan de tand gevoeld. Mede onder druk van de grote media-aandacht besloot het kabinet om een meerjarenonderzoek mogelijk te maken door aan de financiering ervan substantieel bij te dragen.

Kritiek op het onderzoek

Sinds de start wordt vanuit verschillende hoeken kritiek geuit op het onderzoek. Zo stuurde de Federatie Indische Nederlanders op 14 juni 2019 een open brief aan de onderzoekscommissie waarin ernstige zorgen worden geuit over de eenzijdige benadering bij het onderzoek. Die benadering zal volgens de federatie leiden tot een maatschappelijk wenselijke conclusie waarin uitsluitend plaats lijkt voor Indonesisch slachtofferschap, terwijl Nederlands leed wordt gebagatelliseerd. Het dagblad Trouw reageerde vervolgens op 20 juni 2019 met een artikel onder de kop ‘Het onderzoek naar de dekolonisatie van Nederlands-Indië veroorzaakt al sinds de start onrust’. Inmiddels neemt de kritiek op het onderzoek steeds bredere vormen aan. Volgens critici is bij een aantal van de bij het onderzoek betrokken functionarissen sprake politieke en/of ideologische standpunten waardoor de objectiviteit in het geding is en wordt de context waarin de gebeurtenissen hebben plaatsgevonden deels genegeerd.

Centraal in de discussie rond het meerjarenonderzoek staat het boek van mr. Bauke Geersing, Kapitein Raymond Westerling en de Zuid-Celebes-affaire (1946-1947). Mythe en werkelijkheid (2019; in Carré 8-2019 verscheen een recensie van het boek). In zijn boek uit Geersing scherpe kritiek op de werkwijze van bepaalde historici, waaronder Limpach. Maar ook andere, als gerenommeerd bekend staande schrijvers als IIzereef (De Zuid-Celebes-affaire. Kapitein Westerling en de standrechtelijke executies (1984)) en De Moor (Generaal Spoor. Triomf en tragiek van een legercommandant (2011)) ontkomen niet aan de kritiek van Geersing. Nu zou je als kritiek op Geersing kunnen aanvoeren dat zijn boek, in tegenstelling tot het meerjarenonderzoek, over slechts een persoon handelt, gedurende een vrij korte periode (5 december 1946 – 4 maart 1947) in een relatief klein gebied. Maar Geersing toont wel aan hoe in een aantal situaties de geschiedenis door historici en wetenschappers onjuist wordt weergegeven doordat feiten onjuist worden vermeld of weggelaten, hoe feiten worden gekleurd met een eigen (morele of politieke) mening van de schrijver of hoe de context waarin het feit geplaatst moet worden, wordt genegeerd. In zijn kritiek gaat Geersing bepaald niet over een nacht ijs. Hij trekt pas een conclusie wanneer hij het structurele karakter van de onjuistheid heeft aangetoond. Daardoor staat hij sterk in de discussie wanneer hij nogal stevige uitspraken doet, bijvoorbeeld over de wetenschappelijke integriteit van onderzoekers. Waar het volgens Geersing op neerkomt is, dat uiteindelijk de geschiedenis wordt gekleurd, waardoor een onzuiver beeld ontstaat voor het grote publiek en onrecht wordt aangedaan aan (nabestaanden van) betrokkenen.

De eerste publieke reactie op het boek van Geersing volgde op 6 februari 2020 toen Elsevier Weekblad een interview met Limpach publiceerde, gevolgd door de reactie van Geersing. Het is interessant om te vermelden dat Limpach lid is van het team dat het meerjarenonderzoek uitvoert. Limpach haalt in dat interview hard uit naar Geersing; feitelijk ontkent hij alle kritiek op zijn werk en uit hij een aantal tegenbeschuldigingen, echter zonder duidelijke onderbouwing. Met dezelfde precisie die hij in zijn boek hanteert, weet Geersing op overtuigende wijze de beweringen van Limpach te pareren.

Geersing weet op overtuigende wijze de beweringen van Limpach te pareren

Vervolgens blijft het vooral stil, terwijl je uit de hoek van het meerjarenonderzoek veel meer reacties zou verwachten. Dat geldt vooral wanneer op de website van het meerjarenonderzoek in het kader van de maatschappelijke inbedding staat vermeld dat gesprekken worden gevoerd met uiteenlopende groepen en organisaties in Nederland en Indonesië. Bauke Geersing vertegenwoordigt de groep AURORE: een onafhankelijke onderzoeksgroep die bestaat uit juristen, historici, andere wetenschappers, oud-officieren en veteranen. Zij toetst het meerjarenonderzoek aan de principes van wetenschappelijke integriteit: Eerlijkheid, Zorgvuldigheid, Transparantie, Onafhankelijkheid en Verantwoordelijkheid (Nederlandse gedragscode wetenschappelijke integriteit 2018). AURORE maakt zich ernstige zorgen over de wijze waarop het onderzoek wordt uitgevoerd. Maar tot een echte discussie tussen het team dat het meerjarenonderzoek uitvoert en AURORE is het tot nu toe niet gekomen.

Meer kritiek en vragen

In de periode na het interview in Elsevier Weekblad heeft Geersing bij meerdere gelegenheden het team dat het meerjarenonderzoek uitvoert benaderd met aanvullende kritiek op diverse voor het onderzoek relevante onderwerpen, om langs deze weg de discussie aan te gaan. Voor de beeldvorming is het goed om na de meer algemeen geformuleerde kritiek, zoals vermeld in de voorgaande alinea, in te gaan op een aantal concrete situaties.

Een van de fundamentele punten van kritiek betreft het onderzoeksmodel dat Limpach heeft gebruikt voor zijn studie. Het gaat dan om de gebruikte uitgangspunten (feiten, context) en gehanteerde begrippen en definities. Geersing komt tot de conclusie dat het onderzoeksmodel van Limpach te veel onduidelijkheden bevat en te veel ruimte laat voor subjectieve invulling. En als het onderzoeksmodel niet juist is, moet worden getwijfeld aan de juistheid van de uitkomst van het onderzoek. Overigens staat Geersing op dit zeer essentiële aspect niet alleen in zijn kritiek. In Bijdragen tot de Taal-, Land- en Volkenkunde [2] (aflevering 173, 2017) leveren de historici Bart Luttikhuis (eveneens lid van het team meerjarenonderzoek) en Robert Cribb fundamentele kritiek op de centrale begrippen en toetsingscriteria die onderdeel zijn van het onderzoekmodel van Limpach. En eerder uitte de historicus Joop de Jong fundamentele kritiek op het boek van Limpach in zijn boekbespreking, die gepubliceerd werd in de Clingendael Spectator van 29 december 2016.

De beeldvorming over het optreden van het Depot Speciale Troepen (DST) onder commando van kapitein Westerling is een volgend punt van kritiek. Westerling en het DST zijn berucht geworden door het zeer harde en meedogenloze optreden in Nederlands-Indië en lijken vaak symbool te staan voor alles wat daar destijds is gebeurd. Termen als terroriseren, straffeloosheid en moordpartijen worden dan gemakkelijk in verband gebracht met Westerling en het DST. In zijn boek analyseert Geersing nauwgezet dat optreden, de gevolgen ervan en de context waarin dat optreden zich afspeelde. Anderen onderzoeken dat optreden op een minder nauwkeurige manier, maar trekken wel grote conclusies. Bijvoorbeeld drs. Anne-Lot Hoek, een van de medewerkers aan het meerjarenonderzoek, die in de Java Post van 15 maart 2016 schrijft: ‘Niet alleen het bloedbad van Rengat blijft onvermeld, maar ook de moord op duizenden Indonesiërs op Zuid-Celebes in 1946-1947 onder aanvoering van de beruchte kapitein Raymond Westerling is weggelaten. Voor alle duidelijkheid: het optreden op Zuid-Celebes is inmiddels als een misdrijf door de Nederlandse rechtbank erkend en berecht’. Dat Westerling verantwoordelijk zou zijn voor de moord op duizenden Indonesiërs op Zuid-Celebes is nooit aangetoond. Wel blijkt uit onderzoek dat Westerling verantwoordelijk kan worden gesteld voor de dood van 388 (andere bronnen spreken van 563) slachtoffers. Dat blijft natuurlijk een groot aantal. Daarbij moet voor het juiste beeld de context worden vermeld: Westerling had de opdracht om een contra-guerrillaoorlog te voeren, waarbij voor Zuid-Celebes de staat van oorlog was afgekondigd. Onder die omstandigheden was het formeel toegestaan om standrechtelijke executies uit te voeren wanneer iemands deelname aan guerrilla-acties (terrorisme) bewezen was. Het is volslagen duidelijk dat een dergelijk mandaat onder de huidige opvattingen en normen nooit gegeven zou worden, maar in die tijd waren de feiten anders.

Dat pleit Westerling niet vrij van gemaakte fouten onder die omstandigheden. Maar om dan te spreken van ‘duizenden moorden’, zonder dat te kunnen aantonen, is een onzuivere manier van geschiedschrijving. Naderhand zijn officiële onderzoeken gehouden naar het optreden van de Nederlandse troepen in Nederlands-Indië, inbegrepen dat van Westerling en het DST. In bepaalde gevallen is de Nederlandse staat door de rechtbank aansprakelijk gesteld voor onrechtmatigheden, maar Westerling is nooit veroordeeld voor een misdrijf. Sterker nog, de commissie-Enthoven (1948) vond zijn optreden geboden. Procureur-generaal Felderhof vond het ‘een noodzakelijk militaire actie, gegrond in het noodrecht’. Dus ook de opmerking van Hoek over misdrijven en berechting is onjuist.

Ook Limpach draagt bij aan onzuivere beeldvorming rond Westerling. In zijn dissertatie [3] geeft hij als titel voor het hoofdstuk over het optreden van Westerling: ‘Die Todesschwadronen brechen auf’ (pagina 284; de doodseskaders komen). Dit lijkt te verwijzen naar de Duitse SS Einsatzgruppen die tijdens de Tweede Wereldoorlog achter de reguliere troepen op een vreselijke wijze tekeer gingen tegen de burgerbevolking in de pas veroverde Oost-Europese gebieden. Het optreden van Westerling daarmee vergelijken is, aldus Geersing, ‘een blijk van vooringenomenheid, eenzijdigheid en een antikoloniale opvatting die leidt tot het gebruiken van een dergelijk beeld’. Ook hier lijkt op de voorhand de context (staat van oorlog, contraguerrilla) te worden genegeerd en wordt het beeld opgeroepen van een straffeloze moordende eenheid. Het is absoluut niet de bedoeling om het optreden van Westerling schoon te praten, maar het moet wel de bedoeling zijn om de geschiedenis op een zuivere manier weer te geven. De hier genoemde voorbeelden dragen daar niet aan bij.

Militairen van het KNIL op patrouille, 1946 (foto: Wikimedia Commons)

Een ander punt van kritiek betreft de gehanteerde datum van onafhankelijkheid van Indonesië. Uit stukken van het meerjarenonderzoek blijkt dat 17 augustus 1945 (de datum van de Japanse capitulatie) als datum van onafhankelijkheid wordt aangehouden. Op die dag riepen Soekarno en zijn aanhangers weliswaar de onafhankelijkheid uit, maar dat was een puur politieke actie, zonder dat sprake was van internationale formalisering en erkenning van de onafhankelijkheid. De formele datum van onafhankelijkheid is 27 december 1949. Het maakt nogal een groot verschil welke datum als uitgangspunt wordt genomen. Immers, wanneer 17 augustus 1945 als uitgangspunt wordt genomen, zou dat betekenen dat het Nederlandse leger, dat in februari 1946 terugkeerde in Nederlands-Indië - nadat het Britse leger daar sinds de Japanse capitulatie aanwezig was geweest - een soeverein land was binnengevallen en daar een oorlog was begonnen.

Het Nederlandse leger keerde terug om de orde te herstellen

De werkelijkheid was natuurlijk dat het Nederlandse leger terugkeerde om, in lijn met internationale afspraken, de orde te herstellen in de aanloop naar een toekomstige soevereiniteitsoverdracht. Het hanteren van de juiste datum van onafhankelijkheid heeft zo enorme consequenties voor de context waarin het optreden van het Nederlandse leger moet worden geplaatst, zoals het noodgedwongen moeten voeren van een contra-guerrillaoorlog, de geldende staat van oorlog (plaatselijk en tijdelijk) en de daaraan verbonden militaire en juridische omstandigheden.

Een laatste te noemen punt van kritiek betreft het publieke optreden van medewerkers aan het meerjarenonderzoek. Prof. dr. Peter Romijn (co-promotor van Limpach bij diens dissertatie) verklaarde in het discussieprogramma Buitenhof (NPO1) op 25 september 2016 (vier dagen voor de presentatie van het boek De brandende kampongs van Generaal Spoor) dat door Nederlanders gepleegde oorlogsmisdaden meer dan 10.000 slachtoffers zouden zijn gevallen, daarbij verwijzend naar het boek Soldaat in Indonesië 1945 – 1950 (2015) van prof. dr. Gert Oostindie. Bij verificatie blijkt dat getal in het boek helemaal niet voor te komen, evenals in andere werken. Volgens dezelfde Romijn gedroegen de oorlogsvrijwilligers zich in de strijd tegen het Indonesische verzet als oorlogsmisdadigers. Romijn uitte deze aantijging in een artikel in de Journal of Genocide Research in 2012 [4]. Volgens de hoogleraar was het gewapend treffen in het West-Javaanse dorpje Pesing in april 1946 exemplarisch voor het optreden van de oorlogsvrijwilligers in Nederlands-Indië. Zij zouden toen vuile handen hebben gemaakt met moordpartijen en martelingen. Maar wie het artikel ‘De affaire Pesing: richtte een ovw-bataljon een bloedbad aan?’ in Carré 5-2020 leest, zal tot een heel andere conclusie komen, wat niet betekent dat zich geen zaken hebben voorgedaan die de toets der kritiek niet kunnen doorstaan. Maar om dan te spreken van martelingen en moordpartijen in een tijdschrift dat zich bezighoudt met onderzoek naar genocide is een opzichtige poging het Nederlandse optreden in een bepaald daglicht te plaatsen.

Een andere medewerker aan het meerjarenonderzoek, die door zijn publieke optreden de aandacht heeft getrokken, is prof. dr. Remco Raben. Op 14 juni jl. riep Raben op Twitter op de petitie ‘Coen van zijn Sokkel in Hoorn’ te ondertekenen. Hij stelde dat standbeelden symbolen zijn die onze huidige politieke moraal weerspiegelen. Een koloniale geweldenaar paste daar volgens hem niet in. Eerder stelde Raben op Twitter dat er in Nederland sprake zou zijn van dekolonisatieangst en voegde daaraan toe: ‘Koloniale symbolen mogen vallen’. In een interview in De Groene Amsterdammer heeft Raben gezegd dat de dossiers in het Nationaal Archief zijn ‘doordrenkt met de racistische kijk van de witte elite’ op de gecompliceerde koloniale samenleving. In zijn reactie op de recente ‘excuses’ van Koning Willem Alexander vindt Raben dat het standpunt van de Federatie Indische Nederlanders, dat de Indonesische regering excuses zou behoren te maken voor het geweld tijdens de Bersiap, ‘het blazen op een vals fluitje’ is.

De vraag is of de vereiste objectiviteit en integriteit wordt betracht

Nu heeft in een democratie natuurlijk iedereen het recht om zijn of haar mening te ventileren, en dat geldt dus ook voor de medewerkers aan het meerjarenonderzoek. Maar dan blijkt ook welke persoonlijke standpunten door die functionarissen worden ingenomen. De terechte vraag is dan of die functionarissen bij de uitvoering van het onderzoek de vereiste objectiviteit en integriteit aan de dag kunnen leggen en niet de uitkomsten kleuren met persoonlijke morele, politieke of ideologische standpunten.

Alle hiervoor genoemde kritiek is ingebracht bij het team meerjarenonderzoek dat geleid wordt door prof. dr. Frank van Vree. De bedoeling was om de discussie aan te gaan en langs die weg onduidelijkheden of onjuistheden weg te nemen. De inhoudelijke discussie komt echter niet op gang. Tekenend hiervoor is het e-mailbericht van Van Vree aan Geersing op 28 april jl. waarin onder meer staat: ‘Dank u voor uw laatste brieven en aangehechte stukken. Wij zullen er kennis van nemen, en er ons voordeel mee proberen te doen. Veel kwesties zullen bij de presentatie van de resultaten aan de orde komen, omdat daarin is voorzien in een beschouwing over uitgangspunten en termen - waarover een karrevracht historische en volkenrechtelijke literatuur bestaat - waarbij de keuzes die door de onderzoekers worden gemaakt zullen worden gemotiveerd. Overigens is dit de laatste maal dat ik op dergelijke brieven van uw hand zal reageren’. Dit is een overduidelijk bewijs dat men de discussie niet wil aangaan.

Legercommandant generaal Spoor, rechts luitenant-gouverneur-generaal Van Mook; Batavia 1946 (foto: Wikimedia Commons)

Conclusie

Het is duidelijk dat een onderzoek naar geweld tijdens de dekolonisatieperiode in Nederlands-Indië gevoelig ligt. Wie eind 2019 de vierdelige tv-documentaire Onze jongens op Java heeft gezien, zal dit beamen. Nu de Nederlandse regering aanleiding heeft gevonden om een groot meerjarig onderzoek uit te laten voeren, dat een definitief antwoord moet geven op vragen naar de aard, omvang, oorzaken én impact van het (Nederlandse) geweld - de uitkomsten van het onderzoek worden dus onderdeel van de officiële Nederlandse geschiedschrijving - is het essentieel dat het onderzoek alle toetsen der kritiek kan doorstaan t.a.v. volledigheid, objectiviteit en integriteit. Alleen dan zullen de uitkomsten, hoe pijnlijk die misschien ook zullen zijn, worden geaccepteerd en kan een streep onder dat deel van de geschiedenis worden gezet.

Het is daarom onbegrijpelijk dat door het team dat het meerjarenonderzoek uitvoert de discussie met de critici wordt ontlopen en de leider van het team met zoveel woorden aangeeft dat de uitkomsten van het onderzoek maar moeten worden afgewacht. Is dit de juiste houding van wetenschappers bij een dergelijk belangrijk en gevoelig liggend onderzoek? Het zijn tenslotte niet de geringste kritieken die worden geuit: twijfels over de juistheid van het door Limpach gebruikte onderzoeksmodel, onjuiste vermeldingen, onder meer over de rol van Westerling en het DST, een onjuiste onafhankelijkheidsdatum als uitgangspunt nemen, het deels negeren van de context, vermeende vooringenomenheid bij een deel van de onderzoekers en (soms extreme) uitlatingen op persoonlijke titel die twijfel zaaien over de objectiviteit van bepaalde onderzoekers.

Het niet voeren van de discussie met de critici betekent dat onduidelijkheden blijven bestaan en op de voorhand wordt getwijfeld aan de uitkomsten van het onderzoek. Het lijkt zo dat het onderzoek wordt uitgevoerd door een aantal gelijkgestemde wetenschappers die de Nederlandse geschiedenis inkleuren mede op basis van hedendaagse normen, waarden en persoonlijke standpunten. Met een gekleurde uitkomst kunnen (nabestaanden van) betrokkenen worden benadeeld en zal de discussie ook na beëindiging van het onderzoek voortduren. Dat is uiteraard niet wat de opdrachtgever (lees: de Nederlandse regering) bedoelde.

Om die reden zou, met nog ruim een jaar te gaan, een tussentijdse evaluatie aanleiding kunnen vormen voor bijsturing van het meerjarenonderzoek.

Eindnoten:

1. Die brennenden Dörfer des General Spoor: Niederländische Massengewalt im Indonesischen Unabhängigkeitskrieg 1945 – 1949 (Bern, 2015). 2. Bijdragen tot de Taal-, Land- en Volkenkunde is een wetenschappelijk, deels Engelstalig tijdschrift over Zuidoost-Azië en Indonesië dat sinds 1853 wordt uitgegeven door het Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde. 3. Die brennenden Dörfer des General Spoor: Niederländische Massengewalt im Indonesischen Unabhängigkeitskrieg 1945 – 1949; p. 284. 4. Peter Romijn, ‘Learning on the job’: Dutch war volunteers entering the Indonesian war of independence, 1945–46’, Journal of Genocide Research (14:3-4, 2012) 317-336. De tekst verscheen ook in A. Dirk Moses en Bart Luttikhuis, Colonial Counter Insurgency and Mass Violence, The Dutch Empire in Indonesia (London 2014) 91-110.